Homepage Suijs Laatste wijziging: 17 April 2009

Verhalenfestival Gouda 25-11-2005


Piet Wieringa, Moon Suijs en Han Bik
In het kader van dit festival heb ik drie verhalen geschreven over water.

Het eerste verhaal ging over de zalmvisserij op de Hollandse IJssel. Dit werd voorgedragen door Piet Wieringa, secretaris van het watergilde.

Het tweede verhaal ging over de befaamde dokter Büchner, de stadsdolter van Gouda op het eind van de 18e eeuw. Hij pleitte voor schone grachten en zo voor schoon drinkwater, omdat hij vermoedde dat vuil water en vuile lucht voor diverse ziektes zorgden. Uiteindelijk nam hij ontslag omdat de stadsbestuurders zijn wijze raad niet opvolgden.

Het derde verhaal ging over de familie Suijs en hun bemoeienis met het water. Hoewel alle drie de verhalen fictie zijn, zitten er veel authentieke zaken in het verhaal. Allen met namen en data is wat gegoocheld, de meeste (water-)feiten kloppen nauwkeurig.
Moon droeg dit verhaal voor zittend voor het schuttersstuk van Ferdinand Bol, waar Colonel Govert Suijs en zijn 4 capteyns van de schutterij van Gouda op staan afgebeeld (1653).

De verhalen zijn samen met andere verhalen van het festival (o.a. van Kader Abdolah) uitgegeven in een klein boekje.
Hans Suijs



Moon Suijs als dienstmeisje voor het schilderij
SUIZENDE HEIBLOKKEN
door Hans Suijs

Opschieten, daar slaat de klok van de Sint Jan, dus over een half uur is het alweer vloed en staat de haven vol water. Dan moet de schuif in de kade voor ons huis omhoog om onze toiletten door te spoelen, zodat het vuil in de zinkton naar de bodem van de gracht kan zakken. Onze achterburen in de Peperstraat zullen er wel niet blij mee zijn, maar als ze slim zijn geweest hebben ze hun drinkwater al veel eerder opgeschept. Ik zou er niet aan moeten denken om aan de noordkant van de stad te moeten wonen, in die armoedige huisjes aan de Nieuwe Haven of zo. Het water schijnt daar heel vies te zijn door de afvoer van het vuil uit dit deel van de stad. En het stroomt er ook niet zo hard.


Huis van burgemeester van Strijen, Later woonde hier de Lange van Wijngaarden, die het lef had bij Goejanverwelle prinses Wilhelmina (van Pruissen) aan te houden. Thans in gebruik door de bank van Lanschot.
Maar hier, aan de Westhaven, is het plezierig wonen en werken. Dat mindere volk zie je hier gelukkig ook niet. ’t Is een erg deftig huis waar ik werk, het huis van burgemeester Willem van Strijen. Ik heet Grietje Suijs, voluit Margrieta Cornelisdochter Suijs. Ik ben geboren op 20 februari 1712 als jongste in een gezin van elf kinderen. De andere tien waren allemaal jongens, waarvan er vier vroeg gestorven zijn. Ik werk als dienstmeisje bij de burgemeester en om dit grote huis schoon te boenen heb ik veel water nodig. Gelukkig hebben we een eigen pomp, zodat we nooit emmers water uit de gracht hoeven te scheppen.
Burgemeester van Strijen heeft een huis laten bouwen op de plaats waar eerst drie huizen stonden, zodat het een groot en statig pand geworden is, een klein paleis. De oorspronkelijke huizen waren van rijke kooplui en hadden fraaie namen: “De Twee Hardebollen”, “De Bijl” en “Het Wapen van Zeeland”.


Heer Heymansuysstraat, burgemeester 13e eeuw. In het verhaal staat abusievelijk 14e eeuw
Bij die laatste naam voel ik me wel thuis, want mijn familie komt voor een groot deel uit Zeeland, uit Zierikzee en Middelburg, en voor een ander deel uit Dordrecht, Oude Tonge en Sommelsdijk op de Hollandse eilanden. Water is voor onze familie altijd een bron van welvaart geweest. Al meer dan tien generaties is onze familie werkzaam in de dijkenaanleg, het bedwingen van het water en het inpolderen van land. Al in de veertiende eeuw was er in Dordrecht een burgemeester Heyman Suijs. Die had genoeg geld om zich in dat ambt in te kopen. Hij was aan zijn kapitaal gekomen met de houthandel en het heien. Daarom ook de bijnaam Heyman. Helaas behoor ik maar tot de arme tak van de familie en ik moet dus hard werken voor de kost.


Dijkaanleg
Mijn vader en grootvader en mijn vele broers zijn nog steeds met het vak van heier bezig en verdienen er in de polders rond Gouda en langs de IJssel een redelijke boterham mee. Mijn grootvader Willem Abelszoon Suijs kwam tegelijk met zijn broer Govert Abelszoon Suijs aan het begin van de 17e eeuw naar Gouda. Allebei hadden ze van hun vader Abel een ruim startkapitaal meegekregen. Dankzij bevriende verwanten in Gouda konden ze snel poorter worden in deze handelsstad. Om elkaar niet voor de voeten te lopen ging Govert al snel in de lakenweverij, terwijl mijn grootvader als heier aan de slag ging. Bij dijkaanleg, of verhoging en verbreding van dijken is het heien een belangrijk onderdeel. In de erfenis van mijn grootvader zaten zelfs nog werktekeningen daarvan. Grote opdrachten in de stad kreeg hij niet direct, maar rondom Gouda was genoeg te doen.


Dijkaanleg
Grootvader was een geboren verteller. Hij vond ’t altijd leuk als zijn jongste kleinkind naar zijn verhalen luisterde en ik hoorde ze graag. Het was altijd spannend als hij het had over storm en regen en de krachten van het water - veel mensen onderschatten nog steeds de werking van eb en vloed in de Hollandsche IJssel. Hij had op zijn beurt veel gehoord van zijn grootvader. Deze grootvader van mijn grootvader is in het jaar van de Reformatie, in 1572, in Rotterdam getrouwd. Bij die gelegenheid kreeg hij een familiebijbel en daarin zijn de geboortedata, de trouwdata en overlijdensdata van onze familieleden geschreven. Gelukkig noteerde hij ook de beroepen en was hij trots genoeg om ook grote zakelijke prestaties, voorzien van een dankwoord aan de Heer, op de eerste lege vellen te noteren. Mijn grootvader kende die bladzijden helemaal uit zijn hoofd en hij gebruikte ze als bron voor zijn verhalen. Helaas is de bijbel naar zijn broer Govert gegaan.

Mijn betovergrootvader had daarnaast een kroniekboekje gekregen van zijn vader en die weer van diens vader, en zo verder. Hierin schreven zij de belangrijkste werken die ze gemaakt hadden. Maar ook wat het gekost had of misschien beter: wat ze eraan verdiend hadden. Dat boekje bleef gelukkig wel in mijn deel van de familie, omdat mijn grootvader het beroep van heier bleef uitoefenen, terwijl oudoom Govert voor wat anders koos. Als jongste dochter mag ik het voorlopig bewaren. Zodoende weet ik dus van die Heer Heyman Suijs uit Dordrecht en ken ik nog veel meer verhalen uit onze familiegeschiedenis.

Een van de spannendste verhalen is dat van Anthonis Suijs uit Zierikzee. Die heeft de Sint Elisabethsvloed meegemaakt. Nog nooit was er in deze gewesten zo’n grote overstroming geweest. ’t Was in het jaar 1421 toen in een stormachtige nacht een groot deel van het land westelijk van Dordrecht overstroomd raakte. De Grote of Zuid-Hollandse Waard met vele gehuchten en wel dertig dorpen verdween helemaal in zee. Bijna niemand uit die streek heeft het overleefd.


Dijkaanleg
Anthonis heeft zich afgevraagd hoe dit heeft kunnen gebeuren en in zijn Kroniekboekje staan zijn gedachten daarover te lezen. Men deed in die buurt veel aan zoutbranden. Onder de zeeklei in de bodem van de polders zat een dikke laag veen, waar veel zeezout in zat. Die turflaag werd door de boeren afgegraven, gedroogd en verbrand. De as met het zout werd in grote ketels gedaan en aangevuld met zeewater. Die ketels stonden in grote houten zoutketen. Als al het water door het koken verdampt was bleef er alleen kostbaar zout over. Men groef het veen echter steeds dieper uit. Men groef ook steeds dichter bij de dijken. Aan het onderhoud van de dijken werd in dit brakke gebied weinig gedaan, zeer tot ongenoegen van Anthonis, die graag wat opdrachten had gehad. In de nacht van Sint Elisabeth werd alle onvoorzichtigheid bestraft door de kracht van wind en water. De dijken braken op de vele zwakke plekken en wind en water konden hun vernietigende werk verder afmaken. Niets van dat land is ooit meer teruggewonnen. Het is nog steeds een landschap zonder dijken met veel kreken, die zijn uitgesleten door de werking van het getij. In de Biesbosch zal wel nooit meer een dorp of stad worden gebouwd.

Toch heeft mijn voorvader Anthonis Suijs er nog veel voordeel van gehad, want ook op andere plaatsen waren nu halfoverstroomde gebieden, die een gevaar konden vormen bij volgende stormen. En de schrik zat er goed in. Iedere stad of dorp wilde plotseling zijn dijken verstevigen of extra dijken aanleggen. Sluizen werden verhoogd. Stadswallen verstevigd, hekels van waterwerende sleuven voorzien, enzovoorts. Hij kreeg het erg druk en verdiende uitstekend die eerste tien jaar. Het familiekapitaal kon weer flink worden aangevuld.


Suijsenpolder en Suijsendijk. Op dit moment wordt hier een wijk aangelegd waar je vanuit je huis in de boot kunt stappen en naar de Krammer kunt varen.
Zijn grootste werkstuk was de aanleg van een polder ten zuidwesten van Oude Tonge. Dat was niet zo simpel, want eb en vloed maakten het werken moeilijk. Telkens moest je je met de heiblokken en kranen even terugtrekken en wachten tot het tij weer lager was. Toch was het grote werk na een paar jaar klaar. Als dank voor het harde werk en doorzettingsvermogen werden zowel de dijk langs het uitwateringskanaal als de polder naar hem vernoemd.

Tegen de tijd dat mijn grootvader en zijn broer naar Gouda kwamen was de grootste angst voor het water weer voorbij, men was de Sint Elisabethsvloed vergeten en veel problemen met water waren opgelost. Zo zijn op instigatie van Frederik Hendrik her en der de rosmolens van Leeghwater toegepast: watermolens die door paarden aan het draaien worden gezet. In 1629 heeft prins Frederik Hendrik met deze moderne techniek ’s-Hertogenbosch veroverd. Kortom, iedereen dacht in die tijd dat met moderne technieken alles maakbaar was en men voelde zich heer en meester over het water. Dan wordt onderhoud verwaarloosd en dalen weer de inkomsten bij de heiers.

Rond die tijd werden mijn grootvader Willem Abelszoon en mijn oudoom Govert Abelszoon poorter van de stad Gouda. Vooral Govert heeft hier goed geboerd: zakelijk ging het hem voor de wind in deze stad. De lakenindustrie liep erg goed en er voeren veel handelsschepen door Gouda. Als handelaar en ingezetene van de stad verdiende hij al snel veel meer dan mijn grootvader. Hij mocht zelfs lakense stoffen leveren aan de kerkvoogdij van de Sint Janskerk.


Gouda anno 1649. Kaart van Bleau.
Met die lakenindustrie waren de boeren overigens niet blij - die konden mijn oudoom en andere lakenhandelaren wel schieten. De volmolen verderop aan de Punt stond dagelijks flink wat water in te laten om door de waterkracht de machines van de lakenindustrie te laten draaien. Het “vollen” van de lakense stoffen gebeurde voorheen met de voeten. Maar met deze moderne, wateraangedreven machines was het gedaan met die zware arbeid. Het moet ook geen pretje geweest zijn om met blote voeten te staan trappelen in een bak waar ook flink wat urine aan was toegevoegd. Niet alleen kwam er nu veel water de stad in maar er kwam ook veel vuiligheid naar de lager gelegen noordelijke delen van de Gouwe, en daar werden de boeren in de omgeving dan weer boos over. Eerst was er maar één volmolen bij de Peperstraat, maar toen de tweede kwam, werden ze pas echt boos. Bij een hoge waterstand in de Gouwe is het immers verboden om water uit de polders op de Gouwe te malen. De windmolen wordt dan stilgezet. Een vlag of lamp in de top van een van de wieken geeft dan aan de andere molens aan, dat er niet meer gemalen mag worden. Niet mogen malen en wel regen opvangen betekende, dat de boeren hun polders niet meer konden droogmalen. Ze kregen dus natte voeten. Dat wil zeggen: hun koeien stonden in de modder te trappelen. Het heeft heel wat strijd opgeleverd en dan wil je even niet meer weten dat je familie bent van zo’n lakenhandelaar. Uiteindelijk wist het hoogheemraadschap van Rijnland het gebruik van de volmolen in de winterperiode te verbieden en daarmee was de rust weergekeerd.


Govert Suijs helemaal links op het schuttersstuk.
Populair waren lakenhandelaren uit Gouda dus niet, maar oudoom Govert is er wel rijk van geworden. Dat kun je ook wel zien aan zo’n mooi schuttersstuk dat indertijd geschilderd is. Hij was tot Colonel van de schutterij benoemd en is later zelfs burgemeester van Gouda geworden. Als kolonel gaf hij leiding aan de vier kapiteins van de schutterij die ieder een kwartier van de stad beveiligden. Hier op de Westhaven zitten we in het Rode kwartier, ten Noorden hiervan tot bij de Potterspoort is het Witte kwartier; aan de overkant, van het Catharinagasthuis aan de Oosthaven , begint het Blauwe kwartier, en als je bij het stadhuis staat heb je ten noorden en oosten daarvan tot aan de Kleiwegpoort het Oranje kwartier. De kapiteins dragen een sjerp in de kleur van de kwartieren. Dus rood, wit, blauw en oranje. Op het schuttersstuk, dat in de Doelen hangt, heeft alleen de kolonel geen sjerp, maar een lederen bandelier met een zwaard. Dat is dus mijn oudoom Govert Abelszoon Suijs. Zijn familiewapen is boven hem in het schilderij aangebracht. Het is jammer genoeg niet erg goed te zien. Toen hij overleed werd hij in de Sint Janskerk begraven, aan de kant van het stadhuis, zoals zoveel burgemeesters. Zijn rouwbord met familiewapen hangt aan de pilaar bij zijn graf.

Het rouwbord van Govert Suijs uit de Sint Janskerk. Thans te zien in het museum.
Dat wapen is al erg oud, een typisch Zeeuws ambachtswapen. Het schild is blauw ofwel azuur, de kleur van het water van de zee. Daarop zijn drie gouden heiblokken geplaatst. Eeuwen terug werden dat al “suizen” genoemd, dat is immers het geluid dat ze maken als ze naar beneden vallen. Daarom heeft onze familie ook de naam Suijs. In Zeeland was het heel gebruikelijk om het voorwerp van het beroep in goud af te beelden op een blauwe ondergrond.

Mijn familie heeft dus een rijke geschiedenis, maar voor mijn tak helaas een minder rijk heden. Een achterneef van mij, een kleinzoon van Govert Suijs die zelf ook Govert heet, had het lange tijd ook niet breed. Bovendien had hij een kreng van een wijf - Catharina van Leeuwen - dat hem steeds maar bleef uitschelden. Zijn vader was al lang overleden, maar toch had hij zijn erfenis nog niet gekregen en had hij dus geen geld. Zolang zijn moeder leefde hield ze het geld onder haar oksel, en ze is erg oud geworden, tot in de negentig zelfs. Een paar jaar terug kwam Govert een keer bij mijn patroon op bezoek, zijn vrouw mocht toen al lang niet meer binnenkomen vanwege haar slechte manieren. Bij die gelegenheid vroeg hij zelfs aan mij of ik wat geld aan hem kon lenen. Triest om uit een rijk geslacht te komen en toch niet bij het geld te kunnen. Dan ben ik blij het zelf te kunnen verdienen.


Het gelijmde bord van Govert Abelszn Suijs. In bezit van de heer Schapers te Delft.
Doordat het zo lang duurde eer de erfenis afkwam en haar schoonmoeder fit en gezond bleef, werd zijn vrouw Cathrien steeds onmogelijker. Ik heb heel wat staaltjes meegemaakt als ik op bezoek was. Een keer heb ik zelfs gezien dat hij zo boos werd, dat hij met een degen achter haar aan holde. Gelukkig kon zij harder lopen. Een paar jaar geleden gooide ze een deel van het servies stuk en kerfde met een scherf zijn wang open. Een ware schande voor een gerespecteerd lid van de vroedschap. Hij moest met een pleister op de wang naar het stadhuis. Het was een bord van het servies dat nog van zijn grootvader was geweest. De dienstbode gaf de scherven aan mij, zodat ik het geheel kon lijmen en bewaren voor het nageslacht.


Het Admiraalshuis op de Turfmarkt. Zo genoemd omdat daar na het overlijden van Govert Suijs de Goudse admiraal Vlacq heeft gewoond.
Cathrien van Leeuwen had vermoedelijk gedacht een goede partij aan de haak te hebben geslagen. Dat klopte op zich ook wel, maar het leverde vooralsnog weinig op. Uiteindelijk zijn ze een paar jaar geleden gescheiden van tafel, bed en boedel. De familie vond het een groot schandaal en de stad raakte er maandenlang niet over uitgepraat, maar nu gaat het wel beter met mijn achterneef. Pas vorig jaar is zijn moeder gestorven en heeft hij tenslotte een grote erfenis gekregen. Inmiddels is hij zelf in de vijftig en toch nog burgemeester geworden, precies zoals zijn vader Johan en grootvader Govert Abelszoon. Het is een vriendelijke achterneef die mij altijd goed heeft bejegend. Hij is nu ineens rijk en woont aan de Turfmarkt in het Admiraalshuis, maar zijn gezondheid wordt helaas steeds zwakker. Zijn drie bediendes zorgen gelukkig goed voor hem.

Maar genoeg gemijmerd over het verleden, aan het werk. Straks stroomt het water weer door de kelder om het huis schoon te spoelen. Het zou ook niet goed zijn als het stil komt te staan. Stilstaand water zorgt voor een stilstaande stad, een stinkende stad. Een gezonde stad heeft stromend water nodig.

Top of Page