Lijst bijzondere personen Homepage Suijs Laatste wijziging: 11 april 2009

PDN: 0149 Details van Mr. Govert Suijs
Voor zijn plaats in de stamboom zie:
PDN: 0149

Het Admiraalshuis, laatste woonplaats van Mr. Govert Suijs
Suijs / Mr. Govert (PDN: 0149) werd op 04-02-1694 in Gouda geboren en werd drie dagen later gedoopt in de Sint Janskerk (ned. Hervormd). Hij is op 17-01-1756 te Gouda overleden. Hij was tweemaal gehuwd. Zijn beroepen en funkties zijn hieronder weergegeven.

Huwelijk 1: Huwk 19-02-1719 Gouda ; Huw 07-03-1719 Gouda
Boudens / Johanna, Cornelia ; Geb in 1698 ; Beg 13-11-1722 Gouda Vermoedelijk als gevolg van het kraambed van haar dochtertje

Kind:
Clementia, Catharina (PDN: 0160) ; Ged 23-10-1722 Gouda

Huwelijk 2: Huw 01-05-1729 Gouda
van Leeuwen / Catharina ; Geb 08-03-1704 Haestricht ; Ovl 02-10-1775 Haastrecht

Kinderen:
Johannes (PDN: 0161) ; Ged 24-01-1731 Gouda
Cathrina (PDN: 0162) ; Ged 15-10-1732 Gouda
Govert (PDN: 0163) ; Ged 22-01-1738 Gouda

Zijn functies:
Lid van de Vroedschap (Gouda), Politiemeester (Gouda), Commissaris Huw. Zaken (Gouda), Kerkmeester (Gouda), Schepen (Gouda), Thesaurier Fabrieksmeester (Gouda), Burgemeester(Gouda), Commissaris van de waterschappen (Gouda), Weesmeester (Gouda), Adjunct ter dagvaart (Gouda), Scholarch (Gouda), Sleutelbewaarder (Gouda), RekenkamerHolland

Achtergronden
Zo’n 6½ jaar na het overlijden van zijn eerste vrouw huwt hij op 1 mei 1729 voor de 2e maal met de 10 jaar jongere Catharina van Leeuwen (8-3-1704), de dochter van de burgemeester van Haastrecht. Dat had hij, achteraf bezien beter niet kunnen doen. Hij is wat je noemt voor de Leeuwen geworpen. Waarschijnlijk heeft Catharina van Leeuwen gedacht een goede (en rijke) partij aan de haak te hebben geslagen.

Dat er na 1738 geen kinderen van dit echtpaar geboren werden en de dochter uit het eerste huwelijk (in 1740) en de beide zonen kort na elkaar overleden (1741 en 1742), zijn gebeurtenissen, die mogelijk van grote invloed zijn geweest op het huwelijksleven van Govert en Catharina, maar ook de ‘krappe’ financiele situatie zal een rol hebben gespeeld.

Top of Page

Catharina’s verwachting
Zijn tweede huwelijk werd echter geen succes. De hoofdoorzaak van de verregaande ruzies tussen Suijs en zijn tweede vrouw was tweeledig. Zij had een onstuimig en achterdochtig karakter en bovendien waren er telkens terugkerende financiële perikelen. Beide zaken, het feit dat zij op een manier leefde 'die aen hare driften en passie, sonder pael off perk is overgegeeven' en dat 'den boedel van de heer Suijs en sijn vrouw.. met importante schulden was belast, om niet te seggen notoir insolvent was', waren in de stad 'eene bekende saek'. Suijs miste voldoende eigen middelen. Hij was dan wel vroedschap, maar nog te jong om burgemeester te kunnen zijn. De goede ambten lagen voor hem nog in het verschiet; vooralsnog verdiende hij nauwelijks aan zijn positie als regent. Daardoor werd hij geconfronteerd met het probleem waarmee veel patriciërs worstelden. Hoe moest hij de deftige levensstijl financieren die zijn fatsoen voorschreef! In Gouda impliceerde dat het afzien van de uitoefening van een beroep en de aanschaf van bepaalde statussymbolen.

Zijn tweede vrouw beet hem een keer toe 'Wat weet je van fatsoen, je hebt geen geld, fatsoen koopt men bij de silversmit, dat heb je lang verlooren'. Keer op keer hield zij haar man voor dat zijn moeder het geld 'onder haer ocksels' hield en hij maar 'een kale jakhals' was. De manier waarop zij tegen hem tekeer ging, was ‘ijsselijk om te hooren'. Een enkele maal smeet ze, uitzinnig van drift, haar man serviesgoed naar het hoofd of krabde ze zijn gezicht open. Was het geruzie de echtelieden te machtig, dan ging Suijs bij het gezin van zijn beste vriend logeren en trok Catharina bij haar ouders in. Suijs, van nature 'van een zeer bol en goet humeur', probeerde zo goedkoop mogelijk te voldoen aan de minimum statuseisen waartoe zijn positie hem verplichtte'. Hij woonde relatief goedkoop, had slechts twee dienstboden, lange tijd zelfs maar een, die ten dele nog in natura moest worden betaald, en maar één rijpaard.

Het werd dus een probleem dat zijn moeder niet van zins was om te overlijden en ook keurig als een kloek op het familiekapitaal bleef zitten. Waarschijnlijk zorgde zij er wel voor, dat haar zoon een zodanig inkomen had, dat hij daar naar zijn stand redelijk van kon leven, maar toch geen bokkesprongen kon maken. Catharina had zich, zoals zal blijken, een royaler leven voorgesteld. Hij moest dus wel schulden maken met als onderpand de toekomstige erfenis. Daarnaast kreeg hij, ook mede door het (onbehoorlijke) gedrag van zijn vrouw niet de beste regentenbaantjes.

De andere oorzaak van de aanhoudende ruzie, was de achterdocht die Catharina koesterde tegen de omgang van haar man met de dienstbode. Overigens ging zij, gelet op de getuigenverklaringen, evenmin vrijuit. Het echtpaar raakte door het geruzie steeds geisoleerder. Zij kregen bijvoorbeeld niet langer toegang tot de gezelschappen voor patriciërs. Ook brachten de ruzies Suijs' carrière schade toe. De betere ambten kreeg hij pas na zijn scheiding. De directe aanleiding om uit elkaar te gaan, was een ruzie over het breien van een paar ribkousen. De dag na het voorval liep Catharina bij haar man weg en ging bij haar moeder wonen. Voor Suijs was de maat vol en hij liet bij de notaris een scheidingsakte opstellen. Onafwendbaar was dus het op de klippen lopen van dit huwelijk. Op 23 september 1743 werd met toestemming van schepenen van Gouda het huwelijk ontbonden. Tussen 1729 (huwelijk) en 1743 (scheiding), ligt dan ook een periode waarin het ruziemaken toenam tot onacceptabele proporties.

Pas 7½ jaar erna op 2 mei 1751 sterft de moeder van Govert en ontvangt hij de erfenis van ca F 165.000. Dit was voor die tijd een enorm vermogen. Dan krijgt hij ook de betere baantjes en sterft uiteindelijk op 17 januari 1756 rijk, maar zonder nakomelingen. Hij was o.a. schepen in vele jaren en burgemeester in de jaren: 1735, 1736, 1743, 1744, 1747, 1758, 1753 en 1754. Burgemeester Suijs stierf, rijk en deftig, in I756; Catharina, arm en berooid, in 1775.

In 1747 wordt het wat onrustig ik Gouda. Een deel van bovenlaag van de bevolking is het onderling verdelen van de lucratieve baantjes beu en doet pogingen dit te doorbeken, terwijl een ander deel juist steun aan de zittende macht geeft. De prins van Oranje was door deze vaak opruiende gebeurtenissens allang duidelijk geworden dat de Goudse eenheid een facade was, waarachter diepe tegenstellingen schuilgingen. De allereerste mogelijkheid om zich via de aan hem voorgelegde nominatie van dubbeltallen in te laten met de samenstelling van de magistraat, greep de stadhouder (Willem IV) aan om de politieke verhoudingen in de stad grondig te wijzigen. Op Nieuwjaarsdag 1748 plaatste hij met Lestevenon en Van Strijen twee leden van de oppositie op de burgemeestersstoelen, tezamen met Van den Kerckhoven als vertegenwoordiger van de oude machthebbers en de min of meer neutrale Govert Suijs.

Mr. Govert Suijs was een kunstliefhebber en bevat vele schilderijen. In de achttiende eeuw was het kunstbezit in Gouda inmiddels behoorlijk uitgedijd. De meeste schilderijen, 106 in getal, bezat Wilhelmina van der Dussen. De rijke officieren Jan Taalman en Roemer Vlacq, bleven hier met ieder 100 doeken echter nauwelijks bij achter. Emilia van der Graef en Govert Suijs kunnen met respectievelijk 77 en 83 schilderijen eveneens gerekend worden tot de vooraanstaande kunstverzamelaars in de stad.

In het algemeen is weinig te zeggen over de muziekbeoefening buiten de kerk. Openbare concerten werden sporadisch gegeven. Zo moeten in de Doelen en in de Looilhal wel uitvoeringen te horen zijn geweest. Burgemeester Govert Suijs kan hieraan deelgenomen hebben: hij speelde fluit en was gedurende vijftien jaar lid van "T Concert'. In de beslotenheid van het huis moet veel zijn gemusiceerd: in vele achttiende-eeuwse boedelinventarissen, geschat wordt ongeveer de helft, worden muziekinstrumenten genoemd, veelal viool, fluit en klavecimbel. In Gouda woonde slechts één muziekleraar. Hij werd betaald door het stadsbestuur als dirigent van genoemd orkest en moest daarnaast de kost verdienen met het geven van privé-lessen.

Als we het boekenbezit van de elite bezien, vinden we daarin vaak een grote onderlinge verscheidenheid, zeker ook groter dan die bij de kunstcollecties. Sommige regenten bezaten vrij omvangrijke bibliotheken, waarvoor ze een aparte boekenkamer hadden ingericht. De grootste collecties waren eigendom van burgemeester Govert Suijs en vroedschap Pieter Leonard Schippers. Hun boekenkasten waren gevuld met een kleine duizend boeken, verdeeld over respectievelijk 699 en 513 titels. (Het weeskamerarchief 202a maakt melding van respectievelijk 947 en 976 boeken Het grote aantal boeken van Schippers en Suijs wijst stellig op de leeshonger van beide heren.
De Soorten boeken van Govert Suijs: 226 juridisch, 100 stuks theologie, 97 klassiek, 82 stuks geschiedenis/politiek, 50 literair, 38 bestuurlijk, 36 geofragie/reisbeschrijving, 28 natuurwetenschappelijk, verder wat andere soorten en tenslotte 4 bijbels.

Ook bezaten de meeste regenten een grote verzameling zilverwerk. Met alleen zilveren eetgerei was men er echter nog niet. Een deftige tafel diende ook gesierd te worden door zilveren kandelaars, schalen, vaatjes etc. Catharina van Leeuwen, de flamboyante echtgenote van burgemeester Govert Suijs, had dus enigszins gelijk toen zij haar man voorhield dat men fatsoen bij de zilversmid kocht.
Naast het tafelzilver geeft ook de omvang en de kwaliteit van het porselein een indicatie voor het desbetreffende milieu. Gemeten naar onze maatstaven bezat de 18de-eeuwse elite erg grote serviezen. Aantallen van 1000 tot 1500 stuks porselein waren beslist geen uitzondering. Jan Taalman, Emmerentia Jongkint, Reijnier Crabeth en Govert Suijs bezaten respectievelijk 1614, 1610, 1310 en 1177 stuks porselein. Een dergelijk bezit is wel verklaarbaar als we letten op het drukke sociale ]even en de uitgebreide etiquette.

De tweede tuin werd gebruikt om er groenten en bloemen te kweken, of er gewoon de tijd door te brengen. Voor dat doel bouwde men kleine tuinhuisjes. Burgemeester Govert Suijs had in zijn tuinhuis vier tuinstoelen, wat kopjes en bekers, een mandje met pijpen en wat tuingereedschap.
Burgemeester Govert Suijs was een van de enthousiaste vogelvangers onder de regenten. Hij bezat een keur aan lokvogels, kooien, netten en vanggereedschap en huurde voor f5 per jaar een 'vinkehuijs'. In het boek van Ignaz Matthey, Vincken moeten vincken locken, wordt gesproken over de vinkenbaan van Govert Suijs.

Burgemeester Govert Suijs, zo lang gebukt gaand onder geldzorgen en huwelijksperikelen, schonk zijn genegenheid aan drie hondjes.

Catharina van Leeuwen kwam uiteraard niet meer in het testament voor, maar zij doet in 1757 nog een serieuze poging aanspraak op het kapitaal te maken. Juist dankzij deze dwaze pogingen zijn we veel over hun leefwijze en met name de twisten te weten gekomen. Als “bewijs” zijn getuigenverslagen hiervan opgetekend en nog steeds te lezen in het streekarchief van Gouda.

Top of Page

Catharina en Govert gescheiden
Catharina had met name in de jaren veertig Govert het leven zo zuur mogelijk gemaakt. In de akte van scheiding was de bepaling opgenomen, dat Govert alle andere (dit is, niet de door de vrouw bij huwelijk ingebrachte) goederen zou behouden, terwijl hij ook alle schulden van de vrouw tot zijn last zou nemen. De vrouw werd daarbij gevrijwaard van eventuele aanspraken van derden.
Uit eigen beweging had Govert bij het tekenen van de akte van scheiding en deling op 23 september 1743 tot meerdere zekerheid van de vrouw in handen van de notaris en procureur Fredrik Luijt een losrentebrief ten laste van Holland en Westfriesland ten bedrage van fl 10.000 gegeven. Aan Catharina van Leeuwen, als gescheiden vrouw van Govert Suys, werd door de notaris een renversaal (een document, dat een ander document vertegenwoordigt. In dit geval de rentebrief vanfl 10.000) afgegeven.
Deze akte werd door de magistraat van Gouda goedgekeurd op 1 oktober 1743. Verderop in deze beschrijvng zal blijken dat de scheiding, hoewel onafwendbaar toch als direct gevolg van een fikse ruzie op 22 en 23 september 1743, was ontstaan. Het was, ook in die tijd, niet gebruikelijk zo’n akte op zondag op te stellen en te tekenen.

Doordat Govert bij het overlijden van zijn moeder (2 mei 1751) haar enige erfgenaam was, was hij in staat al de schulden van zijn vrouw, tijdens het huwelijk ontstaan, te betalen. Hij vroeg zijn losrentebrief terug, omdat zekerheidstelling niet meer nodig was. Die losrentebrief kon hij echter alleen terugkrijgen als zijn ex-vrouw het renversaal aan de notaris teruggaf. Gaf zij dit renversaal terug, dan gaf zij daarmee tevens te kennen, dat zij zich van alle schulden uit de huwelijks-periode bevrijd wist. In eerste instantie weigerde zij het renversaal terug te geven. Zij beweerde, dat nog niet alle schulden betaald zouden zijn. Via hun vertegenwoordigers werd overeengekomen, dat nogmaals per advertentie crediteuren verzocht werden zich te melden. Nadat daar geen reactie meer op kwam, bleek nu het renversaal niet terug gegeven te kunnen worden, omdat zij dit nooit zou hebben ontvangen.

Na een proces, dat zich uitstrekte over de periode december 1751 tot en met juli 1752, werd de zaak beëindigd, doordat de notaris van Govert onder ede verklaarde het renversaal ontvangen te hebben en de tegenpartij onder ede verklaarde zich geheel van schulden uit de huwelijksperiode bevrijd te weten. Schepenen van Gouda, dus de rechtbank, stemden met deze overeenkomst in en de losrentebrief werd aan Govert teruggegeven.

Direkt na zijn scheiding had Govert het gezamenlijk testament van hem en zijn vrouw Catharina van Leeuwen teniet gedaan door bij een nieuw testament zijn moeder tot zijn enige erfgenaam te benoemen. Door het overlijden van zijn moeder werd ook dit testament waardeloos. Op 26 juni 1751 verving hij dit door een nieuw testament. Op enkele punten werd dit testament op 23 september en 27 december 1755 door hem gewijzigd, onder andere in verband met nieuwe omstandigheden. In ieder geval kwam de naam van zijn ex-vrouw in dit testament en de wijzigingen daarop, niet voor.

Top of Page

Catharina's plannen
Na het overlijden van Mr. Govert op 17 januari 1756, toen wonende op de Turf-markt te Gouda (zie foto hierboven), blijkt Catharina al op 11 februari in het bezit te zijn van de tekst van het testament. (Heeft zij notaris Gualtheren van der Coff te Rotterdam een afschrift van het testament laten ma-ken?) Na lezing stond zij op haar achterste benen. Zij ging ogenblikkelijk aan het werk om het de executeur van het testament, de notaris en procureur Fredrik Luijt, onmogelijk te maken het testament naar de bedoelingen van Mr. Govert Suys uit te voeren.

Allereerst presenteerde zij zich als de weduwe van Govert Suys. Als zodanig eiste zij toegang tot het huis van wijlen haar man en eiste zij de helft van de nalatenschap op. Om de grootte vast te kunnen stellen, eiste zij, dat de notaris Fredrik Luijt, tezamen met haar vertegenwoordigers een gespecificeerde inventaris zouden maken. Bovendien eiste zij, dat Fredrik Luijt over zijn - volgens haar onrecht- matig - beheer rekening en verantwoording aan haar zou afleggen.
Overeenkomstig de wens van de overledene was Fredrik Luijt begonnen met het te gelde maken van delen van de boedel. Een advertentie in de 's-Gravenhaagse Woensdagse Courant van 3 maart 1756 is daar een voorbeeld van.
Zich steeds voordoende als de weduwe Suys en daardoor rechthebbende op een deel van de erfenis, wist zij van de Provinciale Raad een bevel te verkrijgen, waardoor een volgende voorgenomen verkoping, aangekondigd bij advertenties van 24 mei en 3 juni 1756, niet door kon gaan.

Top of Page

ADVERTENTIE
’s Gravenhaegse Woensdagse Courant

Anno 1756. No 27. Van den 3den Maert

Morgen 4 maart 1756 om precies 11 uur in de ochtend, zal in Gouda voor de stal van de heer Mr.Govert Suijs, in leven lid van de gemeenteraad en burgemeester van de stad Gouda, in het openbaar veilen:
  • een koets (type: halver Swemmer) met rood trijp gevoerd en met wit boorduurwerk, extra fraai beschilderd en verguld,
  • een open wagen,
  • een “Chais” op vier en twee wielen
  • lange en korte bomen, alles weinig gebruikt,
  • een Poolse arreslede met tuig en berenhuid,
  • een klein kinderwagentje (Noot: vermoedelijk koetsje)
  • koets- en chaise-tuigen, vliegennetten en kwasten, dekken, bitten
  • en wat verder nog getoond zal worden op de ochtend van de verkoopdag.
Verder wordt iedereen verzocht, die iets ten laste van de boedel van wijlen de heer burgemeester Suijs te vorderen heeft, daarvan melding te maken bij Frederik Luyt, notaris procureur in de stad Gouda, als zijnde executeur testamentair.

Haar eis, dat aan Fredrik Luijt een boete zou worden opgelegd ten behoeve van de hoge overheid, indien hij met verkopen zou doorgaan, werd echter niet ingewilligd.
Fredrik Luijt liet het er natuurlijk niet bij zitten en hij bracht een tegenaktie voor deze raad op gang. Zijn bedoeling was aan te tonen, dat Catharina niet de weduwe van Govert, maar zijn gescheiden vrouw was en dat zij geen enkel recht op welk deel van de boedel dan ook kon laten gelden. Overduidelijk was vastgesteld, dat het paar gescheiden was en dat door Mr. Govert Suys aan alle voorwaarden van de scheidingsakte bij zijn leven voldaan was.

Bovendien had Catharina, overeenkomstig de bepalingen in de akte van scheiding en deling, na de scheiding geheel voor haar eigen interesse gehandeld en gedaan. Speciaal had zij zich toegeëigend wat uit de nalatenschap van haar moeder aan haar toekwam. Haar moeder overleed op 11 december 1744.

De zaak tegen de executeur Luijt werd door Catharina tot voor de Hoge Raad doorgezet. Naarmate het proces voortgang vond, moeten partijen steeds feller tegenover elkaar zijn komen te staan. Steeds meer vuile was uit het huwelijksleven van Catharina en haar man, maar ook van Catharina in de periode na haar scheiding kwam naar buiten. Op 17 december 1756 werd door partijen een mondeling akkoord gesloten door het optreden van een bemiddelingscommissie uit de Hoge Raad. Fredrik Luijt kreeg toestemming om met de voorgenomen verkopingen van roerende en onroerende goederen uit de boedel voort te gaan. Na de Kerstperiode zou het proces worden voortgezet alsof het verbaal akkoord er niet was geweest.

Op 2 februari 1757 diende de zaak weer voor de Hoge Raad. Opnieuw formuleerde Catharina haar eerder genoemde eisen, waarbij zij "verscheijde calomnieuze, abusive en ten eenemaal irrelevante middelen" aanvoerde. De tegenpartij bepleitte uiteraard verwerping van haar eisen en haar veroordeling tot het betalen van de kosten van het geding en van verdere geleden schade. Op 20 mei 1758 heeft de Hoge Raad nog steeds niets beslist, maar de zaak is wel in staat van wijzen gekomen. Catharina ziet waarschijnlijk aankomen, dat zij in dit proces niet zal krijgen wat zij eiste. Zij begint een nieuw proces.

Om te kunnen begrijpen waarom Catharina nu een proces aanspant tegen het weeshuis, het aalmoezeniershuis, de diakenen van de Nederduits Gereformeerde Gemeente en de weeskamer van Gouda moeten we eerst kennis nemen van de inhoud van het testament van Govert Suys.

Top of Page

Goverts testament
In de eerste plaats bepaalde Govert dat zijn dode lichaam in de St.-Janskerk van Gouda moest worden begraven, daar waar ook zijn overleden vrouw en kinderen begraven waren. Deze graven, maar ook die waarin zijn ouders gelegd waren, mochten nooit geopend of geruimd worden.

Grafsteen van Govert Suijs junior, die in 1756 is overleden.
De tekst op het graf is: Hier leyt begraven de Heer en Mr. GOVERT SUYS in leven Raaden Oud Burgemeester der stad Gouda Overleden op den 17 January 1756 Oude zijnde 61 jaar 11 maanden en 12 dagen.

Indien de kerkmeesters deze voorwaarden zouden aanvaarden, verkregen zij een jaarlijks legaat van 12 gulden. In de vergadering van maandag 2 februari 1756 heeft de kerkeraad dit legaat aanvaard. Overigens ligt de grafsteen van Mr. Govert Suys, niet meer op de oorspronkelijke plaats: Het oude zuidpand, de 19e laag, het vijfde graf. Maar direct onder glas 3 (raam 3) aan de noordkant van de Sint Janskerk.

Voorts kende Govert meerdere legaten toe aan personen, die op het moment van zijn overlijden bij hem in dienst waren en anders niet:

Aan Jacoba Garnaaij zijn dienstmaagd, een hofstede met ongeveer 12 morgen land, met nog een stukje land, groot ongeveer 7 hont, staande en gelegen onder de jurisdictie van Broek, Thuil en 't Weegje. Met beplanting en alles wat daar aard en nagelvast toe behoort. Zij zou dit zonder aftrek van belasting genieten. Na haar overlijden zou dit bezit vererven op Theunis de Ridder en zijn vrouw Maria Garnaaij of hun wettige afstammelingen bij plaatsvervanging;

N.B. Over deze Jacoba zijn heel wat ruzies ontstaan tussen Govert Suijs en Catharina van Leeuwen (zie verderop)

Aan Elisabeth de Ridder, zijn andere dienstmaagd, een hofstede met ongeveer twee morgen land, gelegen onder de jurisdictie van de Willens, met het "oofthuis", liggende in de Korte Akkeren, buiten Gouda, met alle beplantingen en alles wat daar aard en nagelvast toe behoort; Aan ieder van zijn gedienstigen die bij zijn overlijden bij hem in dienst zouden zijn, een jaar na zijn overlijden en verder van jaar tot jaar, zo lang zij leefden, 250 Caroly gulden vrij van rechten, te betalen indien zij op de sterfdag aanwezig zijn in dubbele rouw "soo deftig als die onder luijden van fatsoen werd gegeven". En verder de vrije kost en inwoning in zijn huis met behoud van het overeengekomen huurloon gedurende een jaar en zes weken na zijn overlijden;

N.B. Dit heeft nog een interessant boekje opgeleverd. Alles wat in dat jaar gebruikt werd door de drie bewoners is daar in opgetekend. Dit is boekje is onderzocht door de heer Jan Kooijman, de huidige bewonder van het pand waar Govert woonde toen hij stierf. Hij is niet geheel onbekend met de materie ‘voedingswaarde (werkte bij Nutricia) en heeft vanuit die gezichtshoek onderzoek gedaan naar voedingswaarde en variatie in de voeding. Deze bleken weinig af te wijken van ons huidig voedingspatroon. Opmerkelijk was het ontbre-ken van eiren en kipen in het huishoudboekje. Vermoedelijk hield men zelf kippen in de achtertuin en had zo de beschikking over verse eiren.

Aan Pieter de Ridder, Sara de Ridder en Sebilla de Ridder, ieder hun leven lang, ieder jaar 100 Caroly gulden vrij van rechten, te betalen als hiervoor; Verder benoemde hij tot zijn enige en universele erfgenamen:
  • 1e voor een kwart: Adriaantje Bol en bij haar vooroverlijden haar wettige afstammelingen bij plaatsvervanging tot in het oneindige en bij staken, voor een vierde part;
  • 2e voor een kwart: Francyntie Bof, bejaarde dochter, mede voor een vierde part;
  • 3e voor een kwart: Dirk van Steenbergen en Cornelis van Steen-bergen, nagelaten kinderen van Yda Bol en Raas van Steenbergen, of bij vooroverlijden, hun wettige in leven zijnde afstammelingen bij plaatsvervanging tot in het oneindige of indien die niet gevonden worden, de langstlevende van de genoemde Dirk en Cornelis van Steenbergen of diens respectieve afstammelingen, eveneens voor een vierde part;
  • 4e voor een kwart: en als laatste Hillegont van Waas, nagelaten dochter van Cornelia van Leeuwen en Pieter van Waas, voor een gedeelte; Jacomina Goekoop, nagelaten dochter van Neela van Leeuwen en Gerrit Goekoop, voor een gelijk deel; en het kind of de kinderen of de verdere afstammelingen van Cornelis van Leeuwen, in zijn leven predikant te Veen, te zamen voor een gelijk deel en bij vooroverlijden of bij het ontbreken van iemand van de genoemde respectievelijke erven, de wettige nakomelingen van deze persoon bij representatie tot in het oneindige en bij staken. Zouden ook die vooroverleden zijn, of niet bestaan, dan de langstlevende van de genoemde Hillegont van Waas, Jacomina Goekoop of het kind of de kinderen van de genoemde Cornelis van Leeuwen of hun respectieve afstammelingen, zoals aangegeven, voor het resterende vierde part.

Top of Page

Randvoorwaarden:
Voorts beval Govert, dat zijn nalatenschap zo spoedig mogelijk te gelde zou worden gemaakt. In het oorspronkelijke testament, gedateerd 26 juni 1751, stelde hij tot executeur van zijn uiterste wil en tot administrateur van zijn nagelaten fideïcommissaire goederen (goederen waar de erfgenamen niet over kunnen beschikken, maar waar zij wel de opbrengsten van kunnen genieten) de weesmeesters van Gouda aan.

Bij de wijziging, die hij op 23 september 1755 in zijn testament aan-bracht, nam hij de benoeming van de weesmeesters tot executeuren van zijn uiterste wil terug en wees hij de notaris Fredrik Luijt als executeur aan. Zijn roerende en onroerende goederen zouden moe-ten worden verkocht en het geld, dat deze liquidatie opbracht, moest na aftrek van de legaten en andere noodzakelijke betalingen, worden gebruikt tot aankoop van effecten tot last van het Gemeene Land van Holland of van de Unie (de Republiek van de Zeven Verenigde Provinciën). Wanneer dat gedaan was, dan moest dit effectenbezit in vier gelijke delen verdeeld worden. Deze vier delen of wel de gehele nalatenschap moest worden overgedragen aan de weeskamer van Gouda om daar onder de administratie van de weesmeesters - die als zodanig en in de loop der tijden in funktie zouden zijn, en die door hem, bij deze, daartoe werden verzocht - voor altijd "fideï commis en restitutie subject" (wijzigt het onvervreembare bezit bijvoorbeeld door aflossing van uitgeleend geld, dan moet de oude toestand worden hersteld door opnieuw een gelijk bedrag rentegevend te beleggen) te zijn in ieder van de vierde parten op de wettige afstammelingen of van de afstammelingen van degenen, die in de eerste plaats als erfgenaam zijn aangewezen voor altijd, en altijd bij staken (personen behorende tot de stam van de oorspronkelijke erfgenaam). De revenuen, die uit de belegde vierdeparten voortkomen, zouden onder aftrek van de jaarlijkse legaten, personeelslasten en verschuldigde belastingen, een jaar na het overlijden van Govert moeten worden uitgekeerd aan de personen, die daar dan recht op hebben of hun afstammelingen. Zou één van de staken binnen een vierde part of een gedeelte van een vierde part uitgestorven zijn voor of na het overlijden van Govert, dan zou dat gedeelte vererven op het weeshuis voor de ene helft en op het aalmoezeniershuis voor de andere helft en wel ten behoeve van de personen, die door deze huizen werden onderhouden.
Bij een wijziging in zijn testament van 27 december 1755 heeft Govert het weeshuis en het aalmoezeniershuis opgedragen om van hetgeen zij uit zijn nalatenschap zouden krijgen een derde deel over te dragen aan de diakoniearmen van de Nederduits Gereformeerde Gemeente van Gouda.
Om weesmeesters gelegenheid te geven vast te stelten, wie tot een deel van de erfenis gerechtigd was, bepaalde Govert, dat genoemde erfgenamen direct na zijn overlijden aan de weesmeesters van de stad Gouda hun geboortedata en de namen en geboortedata van hun wettige nakomelingen moesten opgeven.

Voortaan moest dat ook, binnen een maand na de gebeurtenis onder vermelding van de woonplaats, gebeuren met de datum van huwelijk, van overlijden en van de geboorte van een kind. Indien een erfgenaam niet aan deze voorwaarde zou voldoen of in twee achtereenvolgende jaren zijn aandeel niet in ontvangst zou hebben genomen of zou hebben laten nemen, dan moest worden aangenomen, dat deze erfgenaam zonder wettige nakomelingen was komen te overlijden en dat deze tak dan uitgestorven was. De erfgenaam of erfgenamen, die het verband van de fideï commis zouden trachten te verbreken of daartoe hun toestemming zouden geven, zouden direkt onterft worden en hun aandeel zou vervallen aan de genoemde drie instellingen ten behoeve van de door hen onderhouden personen. De weesmeesters moesten verder een register bijhouden om alle veranderingen, die zich onder de gerechtigde erfgenamen mochten voordoen, aan te tekenen.

Bij de wijzigingen, die Govert op de 27e december 1755 aanbracht, legateerde bij aan Sibilla de Ridder, net als aan de andere gedienstigen een jaargeld van 250 Caroly guldens en een dubbele rouw, terwijl ook het eerder genoemde legaat van 100 gulden per jaar in stand bleef. Aan Jacoba Garnaaij legateerde hij nog een graf-stede in de St.-Janskerk te Gouda. Telkens als één van de bedienden kwam te overlijden en er een jaargeld van 250 gulden vrijkwam, zou dit jaargeld ten goede komen aan de diakonie-armen.
Bij het overlijden van de langst levende bediende werd dat in totaal een jaarbedrag van 1.000 gulden. Aan de notaris Fredrik Luijt legateerde hij zijn overdekte wagen met glazen te zamen met de kus-sens en zijn paarden met hun tuigen, stalgereedschappen en al het voer, dat bij zijn overlijden in voorraad zou zijn.

Top of Page