Lijst bijzondere personen Homepage Suijs Laatste wijziging: 26 Augustus 2010

PDN: 0183 Details van Mr. Cornelis Suijs
Voor zijn plaats in de stamboom zie:
PDN: 0183

Over Mr. Cprnelis Suijs is veel bekend. Vooral na 2008 zijn in vele publikaties een schat aan details bekend geworden. Slechts een klein deel is hier weergegeven. Er wordt druk gewerkt aan een boekwerk waarin veel details de juiste plaats en ruimte kunnen krijgen. De informatie over Mr. Cornelis Suijs die hier te vinden is, bestaat uit de volgende delen:

Mr. Cornelis Suijs 1. Mr. Cornelis Suijs,
een korte beschrijving van leven en werken

Geb xx-xx-1509 ; Ovl 19-09-1580 s-Gravenhage ; Beroep: Raad Ordinaris, Hoogheemraad(Delfland), Ambachtsheer(Rijswijk), President van het Hof van Holland
Zoon van: Suijs / Cornelis PDN: 0166

Gehuwd met: Huwb xx-xx-1534? van Droogendijck \ Maria ; Geb xx-xx-xxxx? ; Ovl 15-11-1539
Kinderen:
PDN: 0293 Barbara ; Geb xx-xx-xxxx?
PDN: 0294 Cornelia ; Geb xx-xx-xxxx?
PDN: 0295 Joanna ; Geb xx-xx-xxxx?

Gehuwd met: Huwb 22-09-1545 Mechelen de Bije \ Anna ; Geb xx-xx-1513? ; Ovl xx-xx-1558?
Kinderen:
PDN: 0184 Maria ; Geb xx-xx-xxxx?
PDN: 0296 Cornelis ; Geb xx-xx-xxxx?
PDN: 0297 Anna ; Geb xx-xx-xxxx?
PDN: 0298 Margaretha ; Geb xx-xx-xxxx?

Gehuwd met: Huwb xx-xx-1562? van Schoonhoven \ Catharina ; Geb xx-xx-xxxx? ; Ovl 16-09-1572
Kinderen:
PDN: 0299 Cornelis ; Geb xx-xx-xxxx?
PDN: 0267 Catharina ; Geb xx-xx-xxxx?


Hij was een man van groote bedrijven en werd door Karel V en Philips II in vele gewigtige zaken gebruikt.
  • Cornelis is Ridder,
  • Heer van Huis Ter Burch (1522),
  • Raad ordinaris (1534),
  • Hoogheemraad van Delfland (1538).

    Op 25-10-1522 wordt hij met het huis ter Burch (tussen de Bredeweg en de Oude Kadijc met 15 morgen land, waarvan 2 gheest zijn en 3 morgen kleiland) beleend. Er staat: Cornelis Zuys Cornelisz., onmondig hulde door Jacob de Jong, bij dode van zijn vader Cornelis Zuijs (D, f 47v).

    Nederlandsche Leeuw 1926:
    De eerste rekenmeester van het Hof van Holland was Mr. Vincent Cornelisz. (van Mierop). Deze had een schoonzoon, den auditeur Mr. Vincent Damasz. Van Droogendijck. Een dochter van de laatste was Maria van Droogendijck. Zij was de eerste vrouw van den bekenden President van het Hof van Holland Mr. Cornelis Suijs, Heer van Rijswijck, die achtereenvolgens hertrouwde met Anna de Bije en Catharina van Schoonhoven. Hij stierf in den Haag 19 Sept. 1580 in den ouderdom van 66 jaar.

  • Hij is raadsheer aan het Hof van Holland (10-07-1543),
  • vervolgens president van dit hof vanaf 21-10-1559 tot 1572.

    Uit Mathijs Balen:
    "Geschiedbeschrijvinghe der Stad Dordrecht (blz. 417): "In 't Ambt genootschap van den Hove van Holland, Zeeland en West-Vriesland voorzitters in 't zelve. 1559 Mr. Kornelis Suys, Heere van Rijswijk, uytten Aal Ouden Stamme Suys : wiens Voorvaderen, al over Vierhonderd Jaren, onder Bestierders van Dordrecht wierden geteld. Overleden den 19. van Herfstmaand 1580. Oud zijnde Vier en Sestig Jaren ........... Raads Heeren inden voors Hove. Den Heeren: .... Mr. Kornelis Suys, Heere van Rijswijk."

  • Hij is ook Ambachtsheer van Rijswijk (1557-1577).

    Maria is een dochter van: van Droogendijck / Vincent Damamasz, rekenmeester in Den Haag en van: van Mijrop / Margaretha Vincentdochter.
    Anna is een dochter van: de Bije / Jan en van: van Oud-Heusden / Maria.
    Catharina is een dochter van: van Schoonhoven / Robert en van: van Nassou / Anna.

    Familierelaties:
    Uit een grafsteen van: Philibert van Tuijl van Serooskerken en Anna van Heerjansdam blijkt dat de moeder van Anna van Heerjansdam Adriana ook een “van Schoonhoven” is. Zij is eveneens een dochter van: van Schoonhoven / Robert, heer van Wanrode en van: van Nassou / Anna. Derhalve zijn Adriana en Catharina zusters. Uit dezelfde tabel volgt ook nog: Anna van Nassou is een dochter van Paulus van Nassou (en zoon van Jan van Nassou en Adriana van Haestrecht) en Catharina van Haeften. Eveneens is in dezelfde tekening te vinden dat de schoonmoeder van Adriana van Schoonhoven ene "Johanna Suijs" is. Dit is de zus van deze Cornelis.

    Top of Page

    2. Beschrijving op Wikipedia op 25 februari 2009
    Cornelis Suys (?, 1514[1] – Den Haag, 19 september 1580) was Heer van Rijswijk en president van het Hof van Holland. Cornelis Suys was een aanzienlijk bestuurder uit een oud Dordts bestuurdersgeslacht. Naast jurist, raadsheer en president van het Hof van Holland, en Heer van Rijswijk was hij ridder, ordinaris raadsheer van Filips II van Spanje en lid van het Hoogheemraadschap van Delfland (1539-1560).

    Hij studeerde van 1525 tot 1532 aan het Collegium Trilingue in Leuven[2], en vervolgens rechten in Frankrijk. Hij huwde in 1534 met Maria van Droogendijck, dochter van Vincent Dammasz. Ze kregen 3 kinderen, maar Maria overleed in 1539. Suys hertrouwde in 1545 met Anna Mechelen de Bije. Uit dit huwelijk kwamen 4 kinderen voort. Anna overleed in 1558, en Cornelis Suys hertrouwde voor de laatste maal in 1562 met Catharina van Schoonhoven. Met haar kreeg hij 2 kinderen.[3] Cornelis Suys was katholiek en had humanistische interesses.

    Suys had over Rijswijk al het windrecht, bottinggeld[4] en recht op visserij en vogelvangst, toen Willem van Oranje in 1544 van René van Chalon de ambachtsheerlijkheid Rijswijk erfde. Hij ruilde dit in 1557 met Cornelis Suys voor de Loosduinredijkse tienden onder Monster. Vervolgens verkreeg Suys in 1558 voor 600 pond ook de hoge heerlijkheid van Rijswijk. Het is opmerkelijk dat Cornelis Suys zowel de hoge als de ambachtsheerlijkheid Rijswijk verkreeg, omdat de hoge heerlijkheid altijd was voorbehouden aan de graaf van Holland. Hij kon zich dus met recht Heer van Rijswijk noemen. Cornelis Suys woonde ’s zomers op het Huis Den Burch, dat sinds 1491 in het bezit was van het geslacht Suys. In de winter woonde hij aan het Lange Voorhout in Den Haag.

    Cornelis Suys werd in 1535 raadsheer in het Hof van Holland en was de rechterhand van de president Gerrit van Assendelft. Raadsheer Willem Snouckaart was in conflict met Van Assendelft, en botste daardoor ook met diens bondgenoot, Cornelis Suys. Snouckaart vreesde bovendien dat Suys Gerrit van Assendelft als president zou opvolgen. In 1555 werd Suys door Snouckaart beschuldigd van omkoping. Suys ontkende, en werd in 1559 vrijgesproken.

    In 1559 werd Cornelis Suys inderdaad benoemd tot president van het Hof van Holland. Suys, katholiek, stond in aanzien bij Karel V en Filips II van Spanje, en ook bij de landvoogdes Margaretha van Parma. In 1569 werd hij door Alva ingezet om zijn standpunt inzake de Tiende penning kracht bij te zetten.

    Cornelis Suys was bevriend met Cornelis Musius, rector van het Sint-Agathaklooster in Delft. Omdat hij katholiek was week Suys in oktober 1572, het jaar van de hervorming, met het Hof van Holland naar Utrecht uit. Later ging hij naar Brussel. Musius zou twee maanden later op zijn vlucht uit Delft worden gemarteld en vermoord. Met de Pacificatie van Gent werd amnestie verleend aan de katholieken en Spaansgezinden, en daarom kon Suys weer naar Rijswijk terugkeren. Hoewel het katholieke geloof nu verboden was, trad hij niet op tegen de schuilkerken in Rijswijk, maar organiseerde zelfs bijeenkomsten voor katholieken op Huis Den Burch. Hij wist zelfs te bedingen dat hij als katholiek na zijn overlijden in de protestants geworden Oude kerk van Rijswijk zou worden begraven.

    Cornelis Suys overleed op 19 september 1580 in Den Haag. De hoge heerlijkheid Rijswijk ging na zijn dood naar de Staten van Holland. De ambachtsheerlijkheid Rijswijk ging over op zijn dochter Margaretha uit het huwelijk met Anna Mechelen de Bije. Margaretha trouwde in 1581 met jonkheer Adam van der Duijn, heer van ’s Gravenmoer. Het graf van Suys in de Oude kerk van Rijswijk werd in 1982 gerestaureerd.

    Bronnen, noten en/of referenties:
    • "Stamboom Suijs ; Oude tak ; generatie met geboortejaartallen 1495-1520". URL bezocht op 10 mei 2008.
    • Koning, L. de (2007) Verhalen van Rijswijk. De canon. Rijswijk: Stichting Rijswijkse Historische Projecten
    • Braake, S. ter (2007) Met recht en rekenschap. De ambtenaren van het Hof van Holland en de Haagse Rekenkamer in de Habsburgse tijd, 1483-1558 Hilversum: Verloren

    1. Volgens Ter Braake Den Haag, ca. 1509. pp 409-410
    2. Guépin, J.P. e.a. (2000) De drie dichtende broers: Grudius, Marius, Secundus Assen: Uitgeverij Van Gorcum
    3. Volgens Ter Braake resp. 2, 3 en 1.
    4. Bottinggeld kan twee betekenissen hebben: 1. Een cijns op koren. 2. Een grafelijke belasting. Als de graaf van Holland rechtspraak hield in een bepaalde stad, moest deze stad een belasting betalen, bottinggeld.

    Top of Page

    Huis Den Burch te Rijswijk 3. Het ambacht Rijswijk:
    Uit: "Oud Rijswijk" door A. Rodenburg (hfdst. XXI blz. 118 e.v.):
    In chronologische volgorde worden achtereenvolgens met de ambachtsheerlijkheid beleend na de dood van graaf Jan van Nassau: in 1539 René de Chalons, dezelfde, die in Frankrijk het prinsdom Oranje bezat en in 1544 sneuvelde in de loopgraven van St Dizier.
    Willem van Oranje erfde toen op 11-jarige leeftijd van de gesneuvelde neef niet alleen het prinsdom Oranje, maar hij werd ook beleend met de ambachtsheerlijkheid van Rijswijk in 1545.

    Uit de Kerkelijke archieven van de Nederlands Hervormde Kerk te Den Haag is de volgende registratie:
    Hermannus Proost, klerk en geadmitteerd publiek notaris voor het hof van Holland, verklaart dat voor hem is verschenen Cornelis Suys, ordinaris raadsheer van de koning, in het Hof van Holland, die op het St Pieters altaar in de parochie te Rijswijk een vicarie ten behoeve van zijn kleinzoon Augustinus van Teijlingen gefundeerd heeft. (oorspr.: met getekend zegel en geschreven waarmerk van de notaris.)

    Uit: "Twintig eeuwen Rijswijk" door Mr. H. Hardenberg.
    (Hfdst. 2 De Heren van Rijswijk blz. 26 e.v.)
    Als Heer van Polanen schijnt Prins Willem van Oranje meer aandacht gehad te hebben voor de Loosduinredijkse tienden onder Monster, waarvan de wederhelft aan Mr. Cornelis Suijs, raadordinaris in het Hof van Holland, toebehoorde, dan voor het bezit van het ambacht Rijswijk, waar Suijs reeds over het recht van de wind, de visserij, de vogelvangst en het bottinggeld beschikte. Op 11 mei 1557 kwam daartoe te Breda een ruil tot stand en droeg de Prins de ambachtsheerlijkheid met het schoutambt, het bode- en klerkambt, de tijns, de huishoenderen, benevens het recht op een derde van de criminele boeten aan Cornelis Suijs over.
    De beloning met het ambacht Rijswijk en de daaraan verbonden rechten door stadhouder en leenmannnen van de Hollandse leenkamer volgde een maand later. Bovendien wist Suijs gedaan te krijgen, dat hem op 10 februari 1558 de hoge heerlijkheid van Rijswijk voor 600 pond in pand werd gegeven, ondanks de plechtige verzekering van Hertog Philips de Goede, dat dit nimmer zou geschieden.

    Uit de krant "Het Binnenhof” in 1982 zijn de volgende passages:
    Deze Mr. Cornelis Suijs was raadsheer in het Hof van Holland, hij werd in 1557 beleend met het ambachtsheerschap en schoutambt van Rijswijk en woonde meestal op De Burch aldaar.

    De ambachtsheerlijkheid Rijswijk, in 1557 overgedragen aan Cornelis Suijs door prins Willem van Oranje, bestond uit een lage en een hoge heerlijkheid, de laatste altijd in handen van de grafelijkheid. Niets mocht er verkocht of beleend worden. Cornelis Suijs, scherp jurist, had daar iets op gevonden. Tegen Philips de Tweede moet hij gezegd hebben:
    "U kunt met die heerljkheid toch niets beginnen, geef haar aan mij in pand." En dat is gebeurd, voor 600 gulden. Hij is de enige bestuurder geweest, die ooit de lage en hoge heerlijkheid beide heeft beheerd. Hij had de hele bestuursmacht in handen, kon schouten en ambtenaren benoemen. Doordat hij ook in Rijswijk ging wonen, op het huis De Burch (het familiegoed), was hij met recht de heer van Rijswijk.


    Top of Page

    Zegel van die hoichgeleerde heere mr. Cornelis Suijs, here van Rijswijck.
    d.d. 1-3-1579
    4. Positie van Mr. Cornelis Suijs
    Uit: "oud Rijswijk" door H. Rodenburg. (Hfdst. XXI blz. 118 e.v. vervolg) Tenslotte werd Mr. Cornelis Suijs in 1559 benoemd tot president van het Hof van Holland. Vorige ambachtsheren waren niet woonachtig in Rijswijk, doch Cornelis Suijs was voor een belangrijk deel van het jaar ook ingezetene van Rijswijk, bij voorkeur in de zomer. 's Winters bewoonde hij echter het perceel Lange Voorhout - hoek - Heulstraat. (Noot: thans Raad van State) Uit het voorgaande moge blijken, dat Mr. Cornelis Suijs grote invloed had op de gang van zaken. Zijn grootvader Pieter Suijs, was gehuwd met Johanna van de Burch en het Buitengoed "Den Burch" kwam in 1491 in handen van de familie Suijs. In 1524 kwam de hofstede aan Cornelis Suijs. Hij stond in hoog aanzien bij Karel V en later Philips II en evenzeer bij de landvoogdessen Maria van Oostenrijk en Margaretha van Parma. Dit bracht mede, dat deze Rijswijkse ambachtsheer meermalen als vertegenwoordiger van de burgelijke en geestelijke overheid optrad.



    Nicolaas Nieuwland, de eerste bisschop van Haarlem. Ook wel Dronken Klaasje genoemd.
    Zo werd op 27 oktober 1561 in een brief van paus Pius IV aan de prior van de abdij van Egmond bericht, dat het bisdom Haarlem was opgericht en dat tot eerste bisschop benoemd was Nicolaas Nieuwland en ten derde, dat de paus aan Cornelis Suijs het gemelde klooster had toegewezen:
    "pour dorenavant en avoir le mesme soin, administration et gouvernement que ci-devant soulevent les Abbes."
    Voorts dat bij de intocht van de nieuw-benoemde bisschop aan het hoofd van de adel Cornelis Suijs met 40 ruiters monseigneur tot Heemstede zou tegemoet rijden. Als derde voorbeeld diene, dat hij in 1563 met Dr. Gulielmus van der Lindt, hoofddeken van 's-Gravenhage en bisschop van Roermond, afgevaardigd werd om tegenwoordig te zijn bij de abdijkeuze van jonkvrouwe Fr. van der Dussen te Loosduinen, en om daar informatie te houden:
    "nyet alleen op den staet van 't voorsz godshuize, maar ook op 't leven, conversatie ende beleydt van de Religieuzen aldaer."

    Top of Page

    5. Onderhandelingen in het jaar 1569
    De hier weergegeven citaten komen uit het boek:
    "Alva en de Tiende penning"geschreven door Ferdinand H.M. Grapperhaus.
    (Oud Staatssecretaris van het Ministerie van Financien)

    Blz. 129,130,131: (nadat Dordrecht en Antwerpen akkoord waren met de belastingmaatregelen:)
    De andere Hollandse steden namen een flinkere houding aan. Zij vroegen zich af, of het niet beter zou zijn een bedrag van f 100.000,- per jaar aan te bieden in plaats van de tiende en twintigste penning.
    Dat bedrag zou men dan kunnen vinden door verdubbeling van de lopende wijn- en bieraccijns, van morgengeld (een soort onroerend-goed-belasting) en van andere bestaande belastingen.
    Aangezien men niet tot overeenstemming kwam, werd op 20 april (1569) weer vergaderd. .... Boussu, de stadhouder, liet tussen de middag de pensionaris van Dordrecht bij zich komen. .... hij was de eerstaangewezene om namens de andere Statenleden te spreken. Boussu liet zich door de pensionaris uitvoerig informeren en besloot 's middags zelf in de vergadering te verschijnen. In de aanwezigheid en bij monde van Cornelis Suijs, verklaarde hij, dat de Hertog geen genoegen zou nemen met de beslissing van de Staten, zoals deze 's morgens was genomen. (= honderste penning met verzachtingen + f100.000, gedurende 7 jaar.)
    Noot: Cornelis Suys wordt hier genoemd als geleefd hebbende van 1524-1580. (i.p.v. 1514-1581)

    Blz. 132: Op 27 en 28 april, terwijl de staten nog aan het vergaderen waren om de laatste hand aan de definitieve tekst te leggen, kwamen Boussu en Suijs opnieuw in de vergadering om de Staten onder druk te zetten.

    Blz. 154: In de loop van de maand oktober 1569 werden de nieuwe belastingplannen door de lokale stadhouders aan de statenvergaderingen voorgelegd. En zo verschenen Boussu en Suijs op de 17e van die maand in de vergadering van de Staten van Holland, waarbij zij namens Alva aan de Staten het nieuwe voorstel voorlegden en hen vroegen daarmee akkoord te gaan. Het aandeel van Holland in de f 2.000.000,- zou f 271.000,- moeten bedragen.

    Blz. 156: (Het aanbod van de Staten is inmiddels f 100.000,- per jaar in twee termijnen. De vraag is f 271.000,-.) Reeds de volgende dag (11 november 1569) schreef Boussu een brief aan de Staten waarin hun dringend werd gevraagd Alva's voorstel te accepteren, en waarin voorts om een lening van f75.000,- werd verzocht.
    Op 22 november werd over die brief vergaderd, waarbij ook weer Boussu en Suijs aanwezig waren.

    Blz. 157: De 23e november en de volgende dagen werd over een en ander uitvoerig gedelibereerd. Behalve Boussu en Suijs was nu ook aanwezig Albert van Loo, een financieel ambtenaar van de regering te Brussel. De Staten voelden eerst niets voor de lening, maar gingen tenslotte ermee akkoord voor f 50.000,- schuldbekentenissen aan de Koning uit te reiken, waarvan de rente voor de rekening van de Koning zou zijn, en voorts f 25.000,- gereed geld te geven. Alva wist na het nodige touwtrekken te bereiken dat dit bedrag van f 75.000,- pas zou worden verrekend met der derde en laatste termijn van de honderdste penning.

    Het jaar 1570

    Blz. 159: Die zigzagkoers (wel en niet willen wijzigen van de tiende penning door Alva.) leidde ertoe, dat Alva medio maart 1570 aan de statenvergadering van de afzonderlijke gewesten een nieuw voorstel liet voorleggen, dat hij zelf aanduidde als een moderatie van de tiende penning. In Holland werden op de 13e van die maand door Suijs de Staten bijeengeroepen....

    Blz. 167: De Staten van Holland aanvaarden de tijdelijke afkoop. (f271.000,-) Eind april werd er weer een Statenvergadering gehouden, waaraan ook Boussu en Suijs deelnamen.

    Blz. 174: (Er volgt een verzoek om uitstel van betaling in verband met de Allerheiligenvloed op 1 en 2 november. Deze overstromingen hadden de situatie sterk veranderd: 20.000 doden en veel land ondergelopen.) Het antwoord van Alva liet lang op zich wachten.

    Het jaar 1571

    De pensionaris van Dordrecht - er was nog steeds geen nieuwe landsadvocaat benoemd en daarom nam hij die funktie nog steeds waar - had, zo berichtte hij op 16 februari 1571 aan de Staten, drie weken achter elkaar in Brussel op een antwoord aangedrongen. Dit antwoord, door bemiddeling van "onze Lieve ende Welbeminde Mr. Cornelis Suijs, Heere van Rijswijck, Praesident van de Raede Onses Heeren des Koninghs over Hollandt" aan de Staten overhandigd, kwam als een koude douche. (geen feitelijk uitstel)

    Blz. 191: Op 11 augustus verschenen Boussu en Suijs in de vergadering van de Staten en overhandigden een brief, waarin stond dat het nu menens was met de tiende penning. Op 27 augustus moest er van de gedeputeerden antwoord binnen zijn.
    (Hierna wordt nog stevig geprotesteerd doch invoering is moeilijk tegen te houden. Het grote konflikt is dan begonnen.)

    Top of Page

    Wapen van mr. Cornelis Suijs als embleem gepubliceerd in ca 1565 6. Trouw aan het katholieke geloof

    In 1572, het jaar van de hervorming, week de president van het Hof van Holland , Cornelis Suijs, die katholiek gebleven is, met het hele Hof uit naar Utrecht. Met de pacificatie van Gent in 1576 werd er amnesty verleend aan katholieken en Spaansgezinden en Suijs keerde naar Rijswijk terug.

    Ofschoon Suijs streng vasthield aan het katholieke geloof, heeft hij toch niet kunnen verhinderen, dat tijdens zijn ambtsvervulling in Rijswijk velen overgingen tot de reformatie. Het moet hem een doorn in het vlees geweest zijn, dat hij moest aanzien, dat bijvoorbeeld voor zijn huis op de Kneuterdijk een hagepreek werd gehouden, zonder dat hij dit kon verhinderen. Na de inneming van Den Briel (1 april 1572) week hij uit naar Utrecht en Brussel, doch na de pacificatie van Gent in 1576, toen men veronderstelde, dat de scherpste kanten van de strijd tussen protestantisme en katholicisme waren afgesleten, keerde hij naar Den Haag terug en wist te bedingen, dat bij eventueel overlijden hij toch in de gereformeerde kerk, die in 1570 in protestantse handen was gekomen, zou worden begraven.

    Hagepreek bij de Hoornbrug in Rijswijk Uit andere bronnen:
    Hij was een ijverig voorstander van de roomsche kerkleer en derhalve bij de onroomschen niet geacht. Zij ontzagen hem zoo weinig, dat zij hem voor het breken der beelden werkvolk lieten afzonderen en voor zijn huis te 's Hage een openbare preek hielden in het midden van eene verschansing van wagens, verdedigd door gewapende schutters van Delft. Deze hadden al twee keer eerder een hagepreek gehouden. Eerst bij de Hoornbrug (ten zuiden van Rijswijk richting Delft). vervolgens een preek in het Haagsche Bosch en de derde keer dus in het bestuurscentrum van Den Haag.
    Het huis te 's Hage was op de hoek van het Heulstraatje. Later woonde daar de raadspensionaris Cats en in 1806 stond op dien grond de regter vleugel van het huis der gravin van Wassenaar Twickel. Cornelis bleef den Koning getrouw, stond in groot aanzien bij de landvoogdes Margaretha en nam in 1572 de vlucht. Zijn huis was op het punt om met de woningen van de andere regenten door het volk afgebroken te worden, doch de regering van 's Hage kwam dit voor.

    Top of Page

    Jan Pietrszoon Muys 7. Relatie met de Delftse martelaar Musius
    Naar een boekwerkje van A. VAN DIJK O.F.M. in 1947

    Uit de context van het uitgebreide verslag over leven en sterven van Musius en de verwijzingen daarin is duidelijk dat Mr. Cornelis Suijs en Musius nauwe vriendschappelijke relaties moeten hebben onderhouden. Suijs vluchtte op tijd. Musius, ten onrechte vertrouwend op zijn vriendschap met de prins, bleef te lang in Delft. Daar was hij overigens nog relatief veilig. Maar op de vlucht, wist Lumey hem te pakken te krijgen en in Leiden te laten martelen en ophangen.

    Cornelius Musius is 11 juni van het jaar 1500 te Delft geboren. Zijn vader, Jan Pieterszoon Muys, was schoenmaker van zijn vak; zijn moeder heette Lijsbet van het Woud. Ofschoon niet van hoge afkomst, was de familie Muys toch niet onbemiddeld, want na de dood van zijn ouders heeft Musius uit hun nalatenschap elk jaar een som van tweehonderd gulden ontvangen, voor die tijd een vrij groot bedrag.

    In 1517 werd hij aan de Universiteit van Leuven ingeschreven aan de fakulteit der vrije kunsten. De eerstvolgende vaststaande datum uit zijn levensgeschiedenis is zomer 1524: op dat tijdstip bevindt hij zich te Kortrijk en ontvangt er de kruinschering. Het is niet zeker, hoe lang hij te Leuven gestudeerd heeft. Wèl staat het vast, dat hij van Leuven naar Gent is gegaan en daar enige tijd les gegeven heeft, alvorens zich naar Kortrijk te begeven om opvoeder te worden van enkele adellijke jongelui.
    In het voorjaar van 1538 naam hij de benoeming tot rektor van het klooster "St Aechte" in zijn vaderstad Delft. Meer dan vier en dertig jaar lang heeft Musius zijn ambt met ere vervuld. Het klooster kende onder zijn leiding een tijdperk van geestelijke en stoffelijke bloei. Zijn dagelijks leven moet vrij eentonig geweest zijn. Wars van alle openbaarheid, heeft hij zijn jaren gesleten in stille plichtsvervulling en weinig produktieve studie der H.H. Vaders. Zijn vrienden vonden hem altijd lezend of schrijvend. Deze rust werd in het najaar van 1572 wreed verstoord.

    In Willem van Oranje zagen niet slechts ontevreden burgers, berooide edelen, roofzuchtige watergeuzen, hongerige predikanten en opgejaagde kalvinisten hun man, maar evenzeer de Duitse rijksvorsten, de koning van Frankrijk en de koningin van Engeland.
    Toch wilden ook het Spaanse Hof, waar hij in Brussel was opgegroeid en opgeleid hem nog wel als intermediair (in de vorm van stadhouder) hebben. In de periode dat hij (ca 1570 en later) in Duitsland verbleef hield hij nauw kontakt met de Staten.
    Op de Statenvergadering van 19 juli en volgende dagen van het jaar 1572 te Dordrecht gehouden, werd hij, met terzijdestelling van De Boussu, opnieuw als stadhouder des konings erkend. De kracht van Alva dwong hem later in het najaar zijn Duitse huurlingen te ontslaan en zich in Delft terug te trekken.

    De geuzen kregen geheel vrij spel, toen Alva, zeer tegen de zin van De Boussu, de Rotterdamse bezetting naar het Zuiden ontbood. Dit geschiedde in de tweede helft van de maand Juli 1572. De Spanjaarden waren genoodzaakt een grote omweg te maken over Haarlem, Amsterdam, Utrecht en Nijmegen. Zij werden vergezeld van een aantal zgn. glippers: meest geestelijke personen, doch ook vooraanstaande koningsgezinde leken, die hun leven niet langer veilig achtten, nu heel Holland voor de geuzen kwam open te liggen. Mr. Cornelis Suijs maakte geen deel uit van deze groep “glippers”. Pas later op 19 oktober 1572 vlucht hij naar Utrecht.

    Op de Dordtse Juli-vergadering der Staten liet Willem van Oranje, nu weer als stadhouder erkend, een kommissie voorlezen, waarbij hij aan zijn "lieve en wel beminde neve Wilhelm Grave van der Mark, Heere van Lumey." tijdens zijn afwezigheid het bestuur over Holland opdroeg. Weliswaar heette het in hetzelfde stuk, dat Lumey “mede so wel de Catholijken en Geestelijken in hare Religie als d'andere goede Evangelise, in schut en scherm" zou nemen, maar door dergelijke propagandataal kon geen nadenkend mens zich laten verschalken. De massamoord, 9 juli buiten Den Briel gepleegd, had de ware aard van de lieve neef maar al te duidelijk kenbaar gemaakt.

    Musius sloeg alle raad in de wind en bleef in Delft. Lumey heeft in de zomer en het najaar verschillende priesters en kloosterlingen ter dood doen brengen in Schoonhoven en Gouda.
    Na hun aankomst in de stad Delft begonnen ze jacht te maken op de priesters. Musius verleende hun een schuilplaats, doch zag zich weldra gedwongen zelf schuil te gaan. De vervolging werd zó scherp, dat,hij meermalen van schuilplaats verwisselen moest. Eerst toen de prins te Delft was aangekomen, klaarde de toestand op. Wat Musius betreft heerste algemeen de overtuiging, dat zijn vrijheid nu verzekerd was, zowel omreden van de hoogachting welke Oranje hem toedroeg, alsook vanwege de invloed, die hij als gastheer op de prins kon uitoefenen.

    In de enkele weken, die verlopen zijn tussen Oranje's aankomst te Delft en Musius' vlucht op 9 December, is het feit te plaatsen, waarvan de meeste geschiedschijvers melding maken, nl. de onwaardige behandeling, die Musius heeft ondervonden bij gelegenheid van een maaltijd met de prins. Het verslag hiervan is echter in de verschillende bronnen verschillend gekleurd. Zo is er o.a. in de brief aan Mr. Cornelis Suys (althans in een transscriptie ervan!!) melding van gemaakt dat Lumey aanwezig was, maar dit is erg onwaarschijnlijk.

    Op welke wijze Musius uit "St Aechte" is vertrokken, is uit de bronnen niet zonder meer duidelijk. Hij is in een slede met twee gezellen en een koetsier uit Delft vertrokken. Heimelijk kan zijn vlucht op grond hiervan dus niet worden genoemd. Na het verlaten van Delft, is het gezelschap achtervolgd door ruiters van Oranje en meegenomen voor verhoor. Toen hij vervolgens terugging richting Delft werd het gezelschap onderweg door ruiters van Lumey ingehaald. In plaats van Delft werd nu Leiden het doel. (verder weg van Oranje, die in Delft was.) In Leiden aangekomen, moest het gezelschap uitstappen op het kerkhof aan de zuidzijde van de St. Pieterskerk, voor het oude Huis van Lockhorst, ook "'s Gravenhof" geheten, waarvan de eigenaar, Vincent van Lockhorst, was uitgeweken naar Utrecht. In het leegstand huis had Gijsbert van Duivenvoorde, heer van Obdam en Hensbroek, zijn intrek genomen. Hier werden Musius, zuster Charlotte en Cornelis van der Meer binnengebracht.

    Later op de avond volgden de martelingen. De schurken waren: de provoost, twee kommissarissen en de predikant van Lumey, en de beul van Haarlem. Spoedig voegde zich Gijsbert van Duivenvoorde bij hen. (wiens vader bevriend was geweest met Musius!) Een ogenblik later stond Musius met zijn beulen van aangezicht tot aangezicht. Men trok hem tabbaard en schoeisel uit, bond hem ruggelings vast en goot hem zóveel water in de mond, dat zijn lichaam ervan opzwol. Toen werd hij met zulk een geweld getrapt en geslagen, dat hij het water weer teruggaf. Vervolgens hing men hem op, met het hoofd naar beneden. Ook zou hij nog met brandende fakkels gefolterd en met messen verminkt zijn. Om negen uur eindelijk sleepte men de bloedende grijsaard naar de galg.

    Top of Page

    Periode na de reformatie

    In 1575 werd hij van 's Koningswege tot den vruchteloozen vredeshandel te Breda gelastigd.

    In 1580 is er van De Burch een fraaie gekleurde kaart getekend met de oude kasteeltoren op de rand van het eilandje. Deze kaart behoort tot het archief van de Burch en bevindt zich in het Rijswijkse museum het Tollenshuis.

    Er is in Rijswijk een Cornelis Suijsstraat.

    Top of Page

    De Grote of Sint Jacob kerk te 's-Gravenhage 9. De begrafenis

    Van de CD de Wapenheraut haalde ik een stuk tekst over begrafenisrituelen, zoals het overluiden van een begrafenis. De klokken beginnen te luiden aan het eind van de kerkdienst, wanneer de lijkstoet de kerk verlaat. In de jaargang van Jaar 1902 op blad 242 e.v. staat een artikel van M.G. Wildeman onder de titel: AANTEEKENINGEN UIT DE RENTMEESTERS REKENINGEN DER GROOTE- OF ST. JACOBSKERK TE ’S-GRAVENHAGE, Loopende over het tijdvak 1577-1584. Uit dit stuk een aantal teksten die een beeld geven van het overluiden van een begrafenisaan het eind van de 16e eeuw, dus na de reformatie:
    • Den XXIisten voersz voert beluyen voer de moeder van Conrardt de Rechtere Secret(ari)s van mij(ne) heeren Staten mette groote clock twee poesen.
    • den 8 Mey dito van beluyden voer Mr. Daniel Jansz. van alcmaer twee poesen.
    • den 8 Mey vant beluyden van franchoys van buyren casteleyn opt hoff was, twee poosen.
    • Item den . . Juny over tbeluyden van(de) huysvrouwe Jan de Huyters al(ia)s Jouffr. Barbara Suys tot vier poesen.
    • Item den … Juny over tbeluyden mitte groote clock een poese over Wouter Jacobsz. coeman.
    • Item den XXIIIIsten September ontfangen over tbeluyden van mijn heere Mr. Cornelis Suys heer van rijswijck tot VIII poesen.
    Een ‘poes’ is een ‘poos’, een tijdseenheid. Daardoor is het ook maatgevend voor het te betalen bedrag. Veelal gaat het over het luiden van een of twee pozen. Barbara Suys was echter een belangrijk persoon. Zij was de oudste dochter van Mr. Cornelis Suijs, die overigens zelf iets later in hetzelfde jaar overleed. Zij was gehuwd met een Hoogheemraad van Delfland, die uit een belangrijk bestuursgeslacht kwam. Mr. Cornelis Suys, was president van het Hof van Holland, na de stadhouder de belangrijkste bestuursambtenaar en tevens hoogste rechter in Holland, Zeeland en West-Friesland, ofwel het toenmalige Holland.
    De nabestaanden van Barbara vonden een of twee posen kennelijk te kort en betaalden voor vier ‘poesen’. Haar vader overleed op 19 september 1580, maar werd pas op 24 september begraven. Met zulke termijnen werd je dus de spreekwoordelijke rijke stinkerd. Zijn nabestaanden betaalden voor 8 ‘poesen’. Het luiden van klokken bij begrafenissen mag dan wel een goed katholiek gebruik zijn, na de reformatie was er een behoorlijke weerstand tegen, die pas veel later weer is verdwenen.

    Interieur van de N.H. kerk te Rijswijk Als de oud-bisschop van Roermond in 1824 overlijdt, vraagt de pastoor van het dorp Beuningen aan de schout of hij de klokken mag luiden. De schout, een protestant weet niets van dit ritueel. Hij geeft voorlopig geen toestemming en laat zich intussen informeren. Daar wacht de pastoor niet op en geeft twee jongens de opdracht de klokken te luiden. Dat loopt na enige herhalingen uit op een fikse rel. Uiteindelijk wint de volhouder, in dit geval de pastoor. (uit: Uitvaert Zuipvaert, De calvinistische strijd in de zeventiende eeuw tegen begrafenisrituelen, een bachelor werkstuk uit 2006 van WILLEM CLAASSEN)

    Al in de zestiende en zeventiende eeuw verboden de calvinisten dit overluiden in de eigen kerken en probeerden ook anderen te beletten het gebruik te handhaven. De weerstand was gebaseerd op de veronderstelling dat het een ‘Afgodisch luyden’ was. De boze geesten moesten weggehouden worden, was de veronderstelling. Ongetwijfeld zal lawaai maken bij begrafenissen, deze betekenis gehad kunnen hebben en aannemelijk is ook dat de katholieke kerk er een meester in was en is om zo’n heidens gebruik een ‘Roomse’ plek te geven. Is daarom het tegenhouden van volksgebruiken wel zo handig? Uiteindelijk niet getuige het verhaal uit Beuningen.
    In Noord-Hollandse stond de synode van 1583 het klokluiden weer toe door er – net zoals de katholieke gemeenschap dat gebruikelijk deed – er een nieuwe betekenis aan te geven. ‘Het luiden van de klokken geschiedt niet om den overledene daarmee te behelpen, maar ten einde diegenen, die op de begravinge beroepen zijn, hem daar mogen vinden ende dat een iegelijk van de vergankelijkheid des levens vermaand zijnde, hem in tijds tot den dood mag bereiden’.

    De N.H. kerk te Rijswijk Maar waarom dan toch standsverschil, d.w.z. ten aanzien van de duur en dus de kosten? De vraag stellen is hem beantwoorden. Omdat van de ene dode meer te vangen is dan van de andere en de kerk wil ook na de dood dat ieder naar vermogen bijdraagt.
    Toch kan ingeval van Mr. Cornelis Suijs nog iets anders meespelen. Hij woonde zowel in Rijswijk als in Den Haag. In Den haag werkte hij. In Rijswijk was zijn ouderlijk huis en hij was er graag. Daar wilde hij ook begraven worden en wel in de Nederlands Hervormde kerk. Hij was wel katholiek gebleven, maar de predikant, de voormalige vice cureit (onderpastoor of kapelaan) had daar geen enkele moeite mee.
    Ik denk dat de klokken zo lang moesten beieren, omdat de weg van de Haagse Sint-Jacob tot de Rijswijkse kerk nogal lang was.
    In het testament van Cornelis stond ook nog dat de kerk een boerenhoeve uit de erfenis kreeg, mits eeuwig op zijn sterfdag kaarsen zouden worden gebrand. De hoeve is geaccepteerd, maar hoe lang de kaarsen zijn blijven branden is onbekend.


    Top of Page

    N.H. kerk te Rijswijk 10. Het graf

    Rijswijk was de uit een Dordts regentengeslacht stammende ambachtsheer zeer dierbaar geworden en hij wilde, ondanks het feit, dat de dorpskerk in protestantse handen was overgegaan, toch in deze kerk begraven worden. Na zijn overlijden op 19 september 1581 werd aan zijn wens voldaan. Door het terugbrengen van zijn grafsteen op de oorspronkelijke plaats (noordkant in het midden) wordt de herinnering aan een der belangrijkste figuren uit de geschiedenis van Rijswijk levend gehouden.

    Uit een gesprek met de huidige (en vermoedelijk laatste) kerkmeester van deze kerk bleek mij in november 1982 dat het graf is verplaatst. (Althans de zerk !) De grafsteen ligt in 1982 in een hoek van de kerk. Vroeger moet het graf in het midden van de noordzijde van de kerk hebben gelegen.


    N.H. kerk te Rijswijk Toen ik in mei 2010 opnieuw foto's ging maken, bleek het wederom verplaatst te zijn. Nu was het graf in het hoogkoor geplaatst, maar een houten afscheidingswand was met weinig respekt over het graf geplaatst, waardoor een deel van het graf in het verkleinde hoogkoor en een deel in de kerk ligt. Van de restauratie uit 1982 is daardoor weinig te zien.

    Restauraties (1982) aan graf van Mr. Cornelis Suijs (N.H. kerk te Rijswijk "Restauratie Oude Kerk Rijswijk vordert gestaag." ; "Anne Krikke herstelt grafsteen Cornelis Suijs." RIJSWIJK - Mr. Cornelis Suijs, raadordinarius van het Hof van Holland en ambachtsheer van Rijswijk, neemt in de geschiedenis van het volgens de historici in de elfde eeuw gestichte dorp Rijswijk een belangrijke plaats in. Hij werd in de Oude Kerk begraven en de steen, die het familiegraf dekt, krijgt bij de restauratie van het erkgebouw zijn juiste plaats terug.
    Alleen, de steen is in stukken gebroken en beschadigd. Een aannemingsbedrijf uit Ameide, die de restauratie uitvoert, beschikt echter over een bekwame beeldhouwer in de Fries Anne Krikke, die men deze week met het karwei om van de brokstukken een geheel te maken, bezig kan zien. De belangstellende toeschouwer is hierover met ontzag vervult, maar Anne Krikke is er niet van onder de indruk. Deze specialist in restauratie beeldhouwwerk heeft wel voor hetere vuren gestaan. bijvoorbeeld .......... Anne verwacht aan het eind van de week de Rijswijkse graf steen uit 1545 gerestaureerd te hebben en het opschrift weer gaaf te kunnen afleveren.


    Hoek van het graf met wapenafbeelding Op 23 januari 1984 had ik een kort telefoongesprek met de beeldhouwer Anne Krikke. Het enige feitenmateriaal dat hij kon meedelen had betrekking op zijn werk aan de grafsteen. De grafsteen was volgens zijn zeggen in vier delen gebroken. Deze delen zijn door middel van bronzen (pennen?) onderling verbonden. De spleten en gaten zijn vervolgens met kunststof opgevuld en het relief is vergroot. Ook is de steen weer iets verplaatst naar het midden van de kerk en ligt zodoende weer op zijn oude plaats. Meer mocht hij er niet aan doen.


    Top of Page

    van der Duijn, kleinzoon van Margaretha Suijs 11. De erfenis

    In een "Memoriael" (1581 en 1582) wordt uivoerig ingegaan op de moeilijkheden die eerst ontstonden door het uitwijken van Cornelis Suijs naar Utrecht en later, na zijn dood, tijdens het beheer van Margaretha.
    Bij de verdeling van de door Cornelis Suijs nagelaten goederen onder zijn erfgenamen werd aan zijn dochter Margaretha de ambachtsheerlijkheid toegewezen, waarmee zij dankzij invloedrijke vrienden reeds op 26 september 1581 werd beleend.

    Margaretha huwde nog voor het jaar teneinde was met Jonkheer Adam van der Duijn. Door dit huwelijk van zijn enige dochter (N.B. dit moet niet geheel juist zijn. Wellicht leefden de anderen niet meer op dat moment?) Margaretha met Jonkheer Adam van der Duijn, heer van 's-Gravenmoer, kwam de ambachtsheerlijkheid aan het geslacht van der Duijn tot 1688.

    Meestentijds vertoefde de nieuwe ambachtsheer (N.B. van der Duijn) op zijn bezittingen in brabant. Het wapen van de familie (v.d.D), in hout uitgesneden, prijkt thans nog boven de deur van de grote kapel van de Nederlands Hervormde kerk. (Oude Kerk te Rijswijk) Met de dood van Cornelis Suijs was de hoge heerlijkheid weer gekomen aan de Staten van Holland.
    Als ambachtsheer werd Adam opgevolgd door zijn zoon Nicolaas, die in 1624 na de dood van zijn tante Maria Suijs eveneens met de hofstede "De Burch" werd beleend, waar hij in 1649 zou overlijden.


    Top of Page