Lijst bijzondere personen Homepage Suijs Laatste wijziging: 17 April 2009

PDN: 0303 Details van Joannis Suys
Voor zijn plaats in de stamboom zie:
PDN: 0303

Een gelakt koperen keteltje waarin mijn grootvader zijn thee voor de lunch kreeg in de kleermakerij te Vlijmen (Hans Suijs)
KOPERTEUTEN

De informatie over Joannis is vrij beperkt. Hij was gehuwd met Maria Elisabeth van Dunghen. Mogelijk kwam zij uit de buurt van Den Dunghen nabij Den Bosch in het huidige Noord Brabant. Als beroep wordt koperteut aangegeven en dat behoeft een nadere uitleg.
Al in eerdere brieven van Yolanda (PDN: 0309) en Maria Suijs (PDN: 0433) uit Erpe-Mere(B) was het beroep van Joannis gemeld als "Koperteut". Dit was door hun vader Alois,Ernest Suijs (PDN: 0308) rond 1930 beschreven. Hij schreef:

De Suijsen, waarschijnlijk herkomstig uit Noord Brabant of Gelderland, waren koperdrijvers, buitengaande ambachtslieden die op hun reizen ketels herstelden, hetzij op boerderijen, hetzij in brouwerijen die tevens een herberg uitbaatten en gelegen waren langsheen de grote verkeerswegen. Ze kochten oude ketels en verkochten nieuwe. Jammer genoeg vermeldde Alois Suijs niet de bron van zijn gegevens en kende hij wellicht het woord "Teut" niet.

"Teuten", benaming voor Kempische kramers, ketelboeters en snijders (=kleermakers ; zie oisterwijkse tak !) die vanaf het einder der 16e eeuw tot het begin van de 20e eeuw in geheel West-Europa bedrijvig waren. Aldus Frans van Winkel, Overpelt (Brondokument: "De Teuten, buitengaanders van de Kempen" Een verzameling losse bijdragen onder redaktie van N.H.Th. Knippenberg. Uitgegeven door de stichting Brabants Heem 1974 - Eindhoven pag 29.)

Uit een referaat van R. Knaepen "Lommel en andere Teutengemeenten aan de westelijke rand van het Kempens Teutengewest" blijkt dat dit gewest toen gelegen was in het noorden van het Prins-bisdom Luik vooral in het Ambt (Ambt: Oudtijds: Heerlijkheid) Grevenhoek-Pelt met de centra Overpelt, Neerpelt, Sint Huijbrechts-Lille, Achel, Hamont enz. (Uit bovenaangegeven bron blz. 63).

In "Etude sur le sol de la province de Limburg", verschenen in "Bulletin de la section litteraire de la societe des melophiles de Hasselt", Torne IV (1867) wijdt E. Gerarts blz 37-39 aan de Teuten:
Ils forment une case separee qui se mele rarement au reste de la population et parle entre eux un idome particulier auquel ils donnent le nom de Bourgondsch (Bourgondsch: bargoens, kramerslatijn)
Ze vormen en aparte groep die zich zelden met de rest van de bevolking bemoeit en ze spreken onder elkaar een speciale taal waaraan ze de naam "Bourgondsch" (= bargoens, kramerslatijn) hebben gegeven.

Les principaux Teuten, qui occupent les communes de Haumont, Petit-Brogel-Lille, Saint Hubert et Caulille, composent entre eux plusieurs association marchandes, qui se partagent annuellement, avant leurs depart, les contrees qu'ils vont exploiter....(Uit de eerder vermelde bron pag. 26)
De belangrikste Teuten, die de gemeenschappen van Haumont, Petit-Brogel-Lille, Saint Hubert et Caulille, vormden met elkaar verscheidene "handelsverenigingen", die jaarlijks de gebieden die ze gingen bewerken voor hun vertrek onderling verdeelden... (Uit de eerdervermelde bron pag 26.)

Niet alleen de geboorteplaats van Jean,Francois Suijs pleit voor de stellinganame dat hij een Teut was. Het zou eerder een pover argument zijn. Een tweede bewijs voor deze thesis is het feit dat de zonen, kleinzonen enz van Christianus Suijs, oudste zoon van Jean,Francois, tm Petrus Suijs (1818-1899) Ketelslager waren. Er wordt zelfs beweerd dat voornoemde Petrus overleed tijdens een herstelling van een oude of het slaan van een nieuwe ketel, een ketel die thans nog zou bestaan.

Derde bewijs: De oudste twee kinderen van het echtpaar Suijs-van Dunghen worden te St Huibrechts-Lille geboren. Hans Suijs (Gouda) of was het Herman Suijs (Den Bosch), ontdekte dat een derde kind, nl. Joannis op 25-04-1729 in Leende (NL) gedoopt werd. Dit doet de vraag rijzen: Verhuisden Jean,Francois en Marie,Elisabeth van Dunghen naar Nederland, of had de gebeurtenis plaats toen ze op rondreis waren? Of nog: was Jean, Francois alleen op stap en liet hij zijn vrouw in Leende achter om er te bevallen van haar kind?

In zijn bijdrage: "Onbekende teuten uit de heerlijkheid Heeze, Leende, Zesgehuchten" schrijft Jean Coenen: In de 17e en 18e eeuw woonden er in de heerlijkheid Heeze, Leende, Zesgehuchten diverse Teuten... De teuten die hier voorkomen zijn handelaren in koperen voorwerpen, hout en dekens ; enige bezochte gebieden zijn Osnabruck en Pruisen. (Uit dezelfde eerdervermelde bron pag. 187)

Jean,Francois Suijs
Hij werd te Sint Huibrechts-Lille in 1629 geboren en overleed te Moen 13-03-1749. Hij huwde met Marie,Elisabeth van Dunghen (1704 - Moen 03-04- 1767). Ze was stellig een Nederlandse. In 1753 huwde ze een tweede maal met: Petrus Vermeiren.

In zijn bijdrage "Boterteuten" schrijft W.H.Th. Knippenberg: Zijn dochter Maria (van Wilhelm Prinzen, geboren te Gelehn 1770) trouwde in 1833 te Helmond met Franciscus W. van den Dungen, in 1804 te Bergeijk geboren als zoon van Josephus en Maria A.E. Bots. (Uit de eerderaangegeven bron pag. 211)
We vroegen aan de heer Knippenberg of hij ons soms op het spoor kon helpen dat naar Maria,Elisabeth van Dunghen leidt. In een zeer heuse brief waarvoor wij de heer Knippenberg danken, antwoordde hij dat, ondanks verschillende napluizingen, hij ons, jammergenoeg, moest teleurstellen. Wellicht heeft een volgende generatie meer geluk in haar eventuele opzoekingen naar de herkomst van onze voorouders. Het echtpaar Suijs - van Dunghen had zeven kinderen, waarvan de oudste twee: Christianus en Huibertus geboren werden te Sint Huibrechts-Lille, terwijl hun derde zoon Joannis in Leende gedoopt werd. De overige kinderen: Petrus,Antonius (20-12-1734 - Moen 1742) en Franciscus,Bernardus, die volgt, werden te Ronse en Maria,Antonia te Moen geboren.

Hoe de migratie: Sint Huibrechts-Lille - Leende - Ronse - Moen verklaren? Feit is dat onze voorouders aan het rondreizen de brui gaven en al bleven de nazaten van Christianus het beroep van kopersnijder en ketellapper uitoefenen tot plm. 1900, dan deden ze dit niet meer ambulant. Nog steeds volgens de aantekeningen van Alois Suijs, zouden de Suijsen zich in drie richtingen verspreid hebben: Luik, Brabant en Zuid.Vlaanderen-Henegouwen, vooral dan in de streek Avelgem-Doornik. En om te sluiten, nog deze laatste opmerking: Bij de familie Suijs kwam de voornaam Christianus (Kerstiaan) zo veelvuldig voor dat men de Suijsen, in de wandel, "Christjes" noemde.

Voor de voortzetting van de familie zorgden Christianus en Franciscus,Bernardus, die volgen, tenzij Joannis in Leende (NL) gedoopt een aanknopingspunt zou vormen met de Nederlandse hoofdtak (Goudse tak) die plm 1500 ontstaat.

N.B. Tot zover uit een brief die ik (Hans Suijs) op 25 januari 1984 mocht ontvangen. Voor zover er op dit moment sprake kan zijn van een hoofdtak dan is dit zeker de tak die ca 1300 in Zeeland begint en niet de Oisterwijkse tak (hierboven abusievelijk Goudse tak genoemd).

Top of Page